Alleen het doorprikken van filterbubbles helpt tegen Fake News

Sinds de onverwachte verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten is er in de media veel aandacht voor de gevolgen van fake news op Facebook en Twitter. Trump zou zijn verkiezing te danken hebben aan negatief fake news over Hillary Clinton en positief fake news over hemzelf. Fake news is onecht nieuws dat via sociale media doelgericht wordt verspreid om het publieke debat en daarmee ook  verkiezingen te beïnvloeden.

Filterbubble

Mensen lezen graag nieuws dat hun eigen mening onderstreept, maar het gevaar daarbij is dat je op het internet snel in een filterbubble terecht komt, dat wil zeggen dat je via algoritmes alleen informatie krijgt die op jouw persoon is toegesneden, waardoor je het echte nieuws niet meer goed kunt onderscheiden van het fake news.

Taak voor journalistiek en overheid

Journalisten hebben als controleurs van de staat en als leverancier van de informatie die de burger nodig heeft om democratisch te functioneren, de opdracht fake news te ontmaskeren en te voorkomen. Ook de overheid heeft naast de eigen verantwoordelijkheid van de burger een taak haar burgers op te voeden tot mediabewuste burgers.

filter-buble

Filterbubbel (© De Nieuwe Reporter)

Filterbubbles tegengaan

Via adequate en authentieke berichtgeving kunnen journalisten filterbubbles van gelijkgezinden die hongerig zijn naar fake news, tegengaan. Dan is het voor de verspreiders van fake news niet meer zo gemakkelijk om reclameinkomsten binnen te halen, hoe minder mensen het fake news aanklikken, hoe minder geld het oplevert. Facebook en Google hebben zelf onder grote druk besloten dat ze geen reclame meer toelaten op websites met fake news. Laten we enkele maatregelen waarmee fake news bestreden kan worden eens op een rijtje zetten.

Maatregelen tegen fake news:

  • Transparantie van bronnen verlangen
  • Factchecken, kloppen de feiten wel?
  • Geen reclame meer toelaten op sites met fake news
  • Filterbubble doorprikken
  • Journalisten in dienst nemen die het fakenews ontmaskeren
  • Fakenews als Spam behandelen
  • Een gemeenschappelijke Newsfeed van alle serieuze media
  • Zwarte lijsten/Browser-Add-ons aanleggen
  • Ontwikkelen van mediacompetentie onder de burgers
  • Vertrouwen terugkrijgen traditionele media door pluriformiteit

Vraag naar fake news neemt toe

Ondanks dat er een hele catalogus bestaat om fake news te bestrijden, lijkt fake news in de sociale media alleen maar toe te nemen. Dit kan moeilijk alleen verklaard worden uit een toenemend aanbod van fake news. Er lijkt dus een endogeen proces gaande waarbij er steeds meer vraag ontstaat naar fake news. De sleutel om dit fenomeen te begrijpen ligt bij de vraag wie de personen zijn die fake news volgen en om fake news vragen.

Hoe kom je in een filterbubble terecht?

Om te weten wie fake news volgt en hoe je een filterbubble doorprikt is het belangrijk te onderzoeken hoe je in een filter bubble terecht komt. Je ontvangt op het internet alleen op jouw persoon toegesneden informatie aan de hand van je surfgedrag waardoor je je geen pluriform beeld meer kunt vormen over de maatschappij. Het publieke discours wordt op internet daarom in los van elkaar staande groepen van mensen gevoerd die allemaal eenzelfde mening hebben en die relaties met elkaar onderhouden (McPherson, Smith-Lovin, & Cook, 2001), andere meningen worden weggefilterd.

Echoput van gelijkgezinden

Het internet functioneert daarmee als een echoput waar mensen naar bevestiging zoeken van hun eigen (politieke) opvatting (Kushin & Kitchener, 2009; Stroud, 2010; Sunstein, 2001) binnen homogene groepen die met elkaar gelijkenissen vertonen (Vgl. Lazarsfeld & Merton, 1954). Mensen die dezelfde politieke denkbeelden delen zijn eerder met elkaar verbonden op sociale media, dit wordt in de literatuur “Birds of a feather” genoemd (McPherson et al., 2001) en het gaat ook op voor mensen met ideologische ideeën (Gaines & Mondak, 2009).

facebook-filter-3-want

Filterbubbel (© Want)

Fake news verspreidt zich via opinion leaders

Omdat het fake news vooral opduikt in verkiezingstijd kunnen we de theorie van de socioloog Paul Lazarsfeld et al. over de nieuwsverspreiding via opinionleaders in verkiezingstijd (Two-Step-Flow communication) toepassen op de lezers van fake news. Naar Lazarsfeld et al. zijn opinion leaders mensen die anderen van hun politieke instelling weten te overtuigen en die om raad worden gevraagd met betrekking tot politieke thema’s (Lazarsfeld, Berelson & Gaudet, 1944). Via twee stappen (two-step-flow communication) weten politici via opinion leaders kiezers te bereiken.

Filterbubble versterkt two-step-flow-communication

Opinion leaders hebben een betere toegang tot informatie en kunnen anderen op asymmetrische wijze van de informatie voorzien (Rogers, 2003). Het zijn meestal innovatief ingestelde individuen die zeer betrokken zijn bij een thema (involvement), ze hebben doorgaans een hoge sociale status en een groot aantal sociale contacten (Rogers, 2003, Vishwanath & Barnett, 2011).

Lazarsfeld et al. ontdekten dat degenen die nog niet wisten op wie ze zouden gaan stemmen de verkiezingscampagne vaak volgden via persoonlijke gesprekken met opinion leaders, die deel uitmaakten van hun familie, vrienden of kennissenkring. Mensen maken  graag keuzes gebaseerd op wat vrienden en bekenden vinden (Domingos & Richardson, 2001), hetgeen door de filterbubble van gelijkdenkenden nog eens versterkt wordt.

Waarom lezen mensen graag fake news?

Ook de journalistiek zorgt ervoor dat mensen fake news lezen omdat journalistiek

fakenewsinvasion3

(Politicus USA)

meestal een commercieel product is dat niet alleen op zoek is naar de waarheid. Er is een massamarkt voor nieuws die bediend wordt.

De waarden die als standaardnorm voor het nieuws gelden zijn daarnaast de normen en waarden van de middenklasse, waarin obsceniteiten en gruwelijkheden worden geweerd en waar de waarden van het middenklasse gezin centraal staan. Het censureren van van deze norm afwijkende ideeën en waarden zorgt ervoor dat er een beeld gecreëerd wordt dat niet helemaal strookt met de realiteit: “the way certain realities get talked or written about- that is, the choices speakers and writers make in doing it- are not just random but ideologically patterned. These choices do much of the work of naturalizing particular social arrangements which serve particular interests, so that in time they may come to seem like the only possible or rational arrangements.” (Cameron, 2001).

Wantrouwen tegen de traditionele media

Veel gewone burgers herkennen zich niet meer in het nieuws van de traditionele massamedia en keren zich sinds de introductie van het internet en de sociale media af van de massamedia  en zoeken naar alternatief nieuws. “Er is groot wantrouwen tegenover klassieke bronnen van waarheid”, zegt Maarten Boudry, auteur van Illusies voor gevorderden, in De Standaard van 17 november. Daarin stelt Dominique Deckmyn zich de vraag of we volgens de website The Independent een ‘post-truth’ tijdperk zijn binnen gegaan waarin objectieve feiten in de publieke opinie minder tellen dan emoties en eigen ervaringen. Fake news is weliswaar van alle tijden en we geloven het ook niet echt, maar mensen willen het fake news geloven omdat het behaaglijk voelt in de filterbubble van gelijkgezinden.

Nieuws geen afspiegeling van de werkelijkheid

Naast de normen en waarden van de middenklasse in het nieuws zorgen journalistieke werkwijzen ervoor dat het nieuws de massa niet meer bereikt en er wel vraag naar fake news is. Gestandaardiseerde verhaalvormen die gebruikt worden om over nieuws te rapporteren zorgen ervoor dat feiten telkens worden gerangschikt volgens een vast stramien van plots en subplots en dit geeft een vertekend beeld van de werkelijkheid.

Elke nieuwsorganisatie brengt het nieuws bovendien op dezelfde manier want verschillen in de berichtgeving tussen media zouden de indruk kunnen wekken dat de organisatie niet objectief is. Het is echter die standaardisatie die een politiek vertekende berichtgeving in stand houdt.

fgdfgdfgdfdsdfhfguhyjh-1024x576

Make big money; fake news (© 101 Geek)

Standaardisatie en nieuwswaarden slecht voor de objectiviteit

Door het rechtstreeks overnemen van informatie van nieuwsagentschappen of persbureaus wordt de standaardisatie nog vergroot, net als door de redactionele eisen binnen de nieuwsorganisatie zelf, die leiden tot stereotype verhalen die de dominante visies verspreiden en nooit eens tegen de stroom ingaan.

Nieuws wordt ook geframed: Framing betekent dat bepaalde aspecten van de realiteit uitgekozen worden en meer nadrukkelijk naar voor geschoven worden in de media. Daarnaast ligt de nadruk bij nieuws op de aanwezigheid van de zogenaamde nieuwswaarden: nieuws moet van maatschappelijk belang zijn, actueel zijn, nabij zijn, sensationeel zijn, om prominenten gaan etc. (Lippmann, 1922). De objectiviteit van het nieuws is dus een illusie.

Geen ruimte voor pluriformiteit

De professionele norm van de journalistiek en de bijbehorende journalistieke praktijken creëren een verslaggeving die de mainstream politieke overtuigingen verspreidt en in stand houdt en geen ruimte laat voor andere perspectieven. Daarom lopen mensen weg bij de traditionele media en vallen ze voor het afwijkende fake nieuws, de verantwoordelijkheid voor het fake nieuws ligt dus in belangrijke mate bij de media zelf.

Publiek belang waarborgen en dialoog bevorderen

Media verspreiden bovendien vaak volledig geënsceneerde gebeurtenissen als nieuws en ze normaliseren gebeurtenissen door erover te rapporteren op een stereotype manier. Ook geven ze informatie nog al eens  weer zoals de betrokken partijen (belanghebbende bedrijven of de overheid) willen, zonder achterliggende context. Daarom moet er volgens de politicoloog Lance Bennett een nieuwe professionele norm komen voor journalisten waarin er plaats is voor een analyse van de historische en institutionele context van het nieuws, en waar de burger betrokken wordt bij het nieuws (“citizen-oriented journalism”), een pers die rekening houdt met het publiek belang en die een democratisch dialoog promoot en burgers actief betrekt bij het nieuws.

Conclusie

tipstomakesocialmediamarketingeasier-455x389

(Jess Interactive)

Het bestrijden van fake news op het internet is dweilen met de kraan open zolang journalisten hun werk niet goed doen door hun nieuws uitsluitend af te stemmen op de normen en waarden van het middenklasse gezin. Een grote groep mensen voelt zich daarom via de traditionele media niet meer bediend en komt via sociale media in een zogenaamde filterbubble terecht met gelijkgestemden die allemaal hetzelfde onechte nieuws of fake news willen horen.

Journalisten moeten om deze wet van behoud van fakenews te veranderen hun beroep uitoefenen op een manier waarbij de burger betrokken wordt bij het nieuws (“citizen-oriented journalism”). Een pers die rekening houdt met het publiek belang, die een democratisch dialoog promoot en burgers actief betrekt bij het nieuw. Journalisten hebben de taak niet stereotyp en gestandaardiseerd het nieuws te presenteren, ze dienen de achterliggende context te onderzoeken.

Journalistiek hoofddoel moet het streven naar waarheid zijn en niet het  dienen van commerciële belangen. De massamarkt van nieuws gericht tot een heel groot publiek dient weer getransformeerd naar een publieke ruimte waarin iedere groep van de bevolking het nieuws ontvangt om als burger aan het democratisch proces deel te kunnen nemen.

De journalistiek hoeft niet populistisch te worden maar wel meer pluriform, een journalistiek die meeleeft met de zorgen en waarden van de kleine man of vrouw die niet tot de gegoede middenklasse behoort.Zolang dit niet gebeurt blijft het bestrijden van fake news vechten tegen de bierkaai.

Literatuur

Bennett, W. L. (1996). Inside the Profession: Objectivity and Other  Double  Standards. In: News, the politics of illusion, London: Longman.

Benson, R. & Wood, T. (2015).Who Says What or Nothing at All? Speakers, Frames, and Frameless Quotes in Unauthorized Immigration  News in the United States, Norway, and France, American Behavioral Scientist, Vol. 59(7), pp. 802–821.

Cameron, D. (2001). Hidden agendas? Critical discourse analysis. In: D. Cameron (Red.), Working with spoken discourse. Londen: Sage, pp. 123-141)

Deckmyn, D. (2016). “Is de waarheid wel passé?, De Standaard 17 november 2016.

Domingos, P. & Richardson, M. (2001). Mining the network value of customers. In: Proceedings of the 7th ACM SIGKDD International Conference on Knowledge Discovery and Data mining, San Francisco, CA, 26-29 August, pp. 57-66.

Lazarsfeld. P.F., Berelson, B. & Gaudet, H. (1944). The People`s Choice: How the Voter Makes Up His Mind in a Presidential Campaign. New York: Duell: Sloan and Pearce.

Lazarsfeld, P.F., & Merton, R. (1954). Friendship as a social process: A substantive and methodological analysis. In: Morroe, B., Abel, T. & Page C. (Red.). Freedom and control in modern society, pp. 18-66. New York: Van Nostrand.

Lippmann Walter: Public Opinion (1922), dt.: Die öffentliche Meinung, Bochum: Brockmeyer 1990.

McPherson, M., Smith-Lovin, L., & Cook, J.M. (2001). Birds of a feather: Homophily in social networks. Annual Review of Sociology, pp. 415-444.

Rogers, E.M. (2003). Diffusion of innovations (5th ed.). New York: Free Press.

Sunstein, C.R. (2001). Republic.com. Princeton, NJ: Princeton University Press.

Vishwanath, A., Barnett, G.A. (Red.). (2011). The diffusion of innovations: A communication science perspective. New York: Peter Lang.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Nieuwe verdienmodellen goed voor de inhoud?

Het medialandschap verandert sterk door technologische vernieuwingen als het internet, hierdoor neemt de vraag naar het journalistieke product van de traditionele media  af (Lowrey & Gade, 2011). De traditionele media hebben dit te laat ingezien en zien hun oplages dalen en de kijkcijfers afnemen en moeten op zoek naar nieuwe verdiensten.

Google

De websites van kranten worden veel minder geraadpleegd door de miljoenen gebruikers van Google en door de gratis aangeboden informatie op het internet, waardoor vooral kranten reclame inkomsten en betalingen voor hun artikelen mislopen (Lee-Wright, Philips & Witschge, 2012). Daarnaast heeft de publieke omroep het moeilijk door bezuinigingen vanwege de economische crisis.

Veel journalisten verliezen hun werk, vinden nog maar tijdelijk een baan of zijn gedwongen actief als freelancer. Journalisten moeten daarom dringend op zoek naar nieuwe verdienmodellen waarmee ze kunnen overleven.Met een verdienmodel wordt de betaling voor de producten en diensten van de journalist bedoeld.

In deze blog zal ik een aantal van deze nieuwe verdienmethoden de revue laten passeren en aan het slot de vraag stellen of deze nieuwe manieren om als journalist geld te verdienen niet ten koste gaan van de inhoud.

npo_behang_05-1413191411_cover_large-1413191467

Logo’s publieke omroepen (©NPO)

Afname advertenties door het internet

Traditionele massamedia halen nog steeds de meeste inkomsten uit abonnementen en advertenties. Wanneer kranten of omroepen hun product op het internet aanbieden kunnen zij de inkomsten die wegvallen door het dalende aantal abonnees of kijkers niet compenseren, op het internet wordt er door bedrijven weinig betaald voor een advertentie (Carner, 2012; Kaye & Quinn, 2010; Levy & Nielsen, 2010; Sirkkunen & Cook, 2012).

Bijkomende problemen zijn dat het publiek zelf niet bereid is voor online-content te betalen (Kaye & Quinn, 2010) en dat de advertenties op het internet verkocht worden aan de meest biedende, waardoor kapitaalkrachtiger partijen dan kranten de advertentieruimte innemen.

Redding door tablet of smartphone?

Een lichtpuntje is dat mensen op de populaire tablets en smartphones vaker reclame aanklikken dan op een pc, dat geldt ook voor de sites van de traditionele media (Vgl. Smit, 2013). Omdat online media als Facebook en Google meerdere verdienmodellen met elkaar combineren kunnen de traditionele media er niet mee concurreren waardoor deze moeten innoveren (Sirkkunen en Cook, 2012).

8371683905_179382affc_b

Tablet, smartphone en laptop (© Flickr/miniyo73)

Journalistieke taak mag niet in gevaar komen

Journalisten hebben als onafhankelijke vierde macht de publieke taak de staat te controleren en burgers van informatie te voorzien, zodat zij hun democratische rol kunnen vervullen. Deze journalistieke taak mag niet in gevaar komen door teruglopende advertentie-inkomsten of dalende overheidssubsidies.

Nieuwe verdienmodellen kunnen een oplossing bieden (Picard, 2010) en ervoor zorgen dat de klanten niet meer weglopen (Nahuis et al, 2004) maar zij mogen de reputatie en het imago van de onafhankelijke journalistiek niet schaden.

Dat betekent dat jounalisten niet afhankelijk mogen worden van de overheid of van bedrijven (Roerdink, 2013, p. 74). De diversiteit van de mediacontent moet gewaarborgd blijven als journalisten om te overleven gedwongen worden te innoveren.

Storytelling als verdienmodel

Er zijn twee soorten verdienmodellen voor journalisten. Het eerste verdienmodel past de productie van het journalistieke product (storytelling) aan (Sirkkunen en Cook, 2012) door:

  • verdere specialisatie of het uitbouwen van een niche (Roerdink, 2013). Online media gaan eerder op zoek naar niches, massamedia kunnen dit ook proberen (Lowrey & Gade, 2011; Sirkkunen & Cook, 2012).
  • het zoeken van nieuwe doelgroepen waardoor de journalistieke content onder een groter publiek verspreid wordt.
  • het werken via een speciaal medium zoals de smartphone en de tablet.
  • het richten op een geografische doelgroep zoals lokale journalistiek (Lowrey & Gade, 2011).

maxresdefault.jpg

Panama Papers (© Panama Papers)

  • samen te werken met andere mediaplatforms, zoals door het uitwisselen van content met gesloten beurzen waardoor media het eigen aanbod verruimen.
  • zich bij te scholen en meerdere disciplines te beheersen, zoals het ontwikkelen van webjournalistieke vaardigheden naast redactionele vaardigheden.
  • het samen met andere journalisten analyseren van grote databestanden.
  • gratis nieuws waardoor er meer lezers worden bereikt. Dit laatste is van invloed op de content omdat dat wat het meest aangeklikt wordt niet perse het beste artikel hoeft te zijn.
  • te werken voor commerciële bedrijven, mits de journalist zorgt dat hij/zij onafhankelijk blijft en transparant is over zijn activiteiten. De consument moet weten wat de bronnen zijn (Prenger & van Vree, 2004).
  • de journalist als eigen merk neer te zetten.
  • zichzelf als ondernemer te zien.

Service georiënteerde verdienmodellen

Een tweede verdienmodel is service georiënteerd en verleent diensten aan consumenten door:

  • het op meer plaatsen aanbieden van dezelfde informatie: diversification (Sirkkunen & Cook, 2012). Content wordt vaak hergebruikt, dat is commercieel alleen rendabel voor achtergrondverhalen of –informatie (Roerdink, 2013, p. 53), tachtig procent van het nieuws bevat geen nieuwe informatie (Pew Research Centre’s Project for Excellence in Journalism, 2010).
  • gratis informatie over meer gespecialiseerde onderwerpen of vakgebieden vaker online aan media of bedrijven aan te bieden en zich dan voor uitvoeriger informatie laten betalen.
  • het alleen nog in stukjes aanbieden van data en die voor de consument structureren.
  • het organiseren van trainingen en evenementen (Sirkkunen & Cook, 2012).
  • het toepassen van merchandising (Sirkkunen & Cook, 2012).
  • een ruimer op de persoon toegesneden assortiment, zoals een online abonnement gecombineerd met een dagelijkse krant of weekendkrant, het verkopen van content per artikel of een op de individuele behoefte afgestemd televisieprogramma-aanbod.

grootste_nederlandse_kranten-620x350

Diverse grote Nederlandse kranten (© Top 10 Lijstjes)

  • de verkoop van via het internet verzamelde klantendata (Ala-Fossel et al., 2008; Sirkkunen & Cook, 2012; Wunsch-Vincent, 2010).
  • crowdfunding waarbij via het publiek geld ingezameld wordt voor innovatieve journalistieke projecten.
  • kosten te besparen en veel inhoud te produceren via een platform van burgerjournalisten (Sirkkunen & Cook, 2012) met burgers als belangrijke informatiebronnen: crowdsourcing (Anderson, Bell & Shirky, 2012). De burger wordt van consument producent.


Verdienmodel Crowdsourcing
of crowdworking

Ik zal een verdienmodel nader toelichten. Crowdsourcing of crowdworking in de journalistiek (samenvoeging van crowd en outsourcing) is een werkwijze waarbij gebruik gemaakt van professionals, vrijwilligers en geïnteresseerden die samen journalistiek onderzoek doen over een bepaald onderwerp. Het is gebaseerd op de ideeën van het boek The Wisdom of Crowds van James Surowiecki waarbij inhoud (user-generated content) door het publiek (prosumenten) wordt geproduceerd.

Lezers zijn bereid te betalen voor dit soort informatie (sponsoring of crowdfunding) waarbij de kosten laag worden gehouden want burgerjournalisten werken van huis uit per internet.

Burgers controleren de politiek

De journalist Jeff Howe publiceerde in 2006 het artikel „The Rise of Crowdsourcing“, waarin hij uitlegt dat meer mensen samen meer weten en dat  geldt ook voor de journalistiek.

Burgers en journalisten kunnen via crowsourcing bijvoorbeeld samen de politiek controleren zoals bij de Guardian, waar journalisten het publiek vroegen onkostennota’s van Britse parlementsleden te analyseren (Opgenhaffen& van Belle, 2014, p. 88-91).

 

waves-overflow-land-2011-japan-tsunami

Tsunami in Japan in 2011 (© New York Daily News)

Voorbeeld: Mobile Crowdsourcing

Een bijzondere vorm van crowdsourcing is het Mobile Crowdsourcing, waarbij burgers via mobiele telefoons verslag doen over (natuur)catastrofen of crisissituaties in oorlogsgebieden. De journalistieke content wordt vooral via apps verzameld  door burgers die ver van elkaar afwonen en communiceren via Youtube, Facebook en Twitter.

In grote netwerken observeren zij als een soort detectives de situaties ter plekke en ondersteunen journalisten bij de waarheidsvinding. Via satellieten zoeken zij beelden en burgers met informatie in conflictgebieden en vrijwilligers ter plekke construeren in teamwork de politieke situatie.

Voorbeeld Airwars

airwars_18112015201821

Airwars logo (Airwars.org)

Airwars bestaat uit mensenrechtactivisten, journalisten en vrijwilligers en is opgericht door oud-BBC reporter Chris Woods die door media vaak als enige betrouwbare bron wordt aangehaald als het gaat om burgerslachtoffers.

Gewone mannen en vrouwen sturen Airwars informatie vanuit oorlogsgebieden, zo krijgen zij een platform om hun stem te laten horen. Iedereen met een internetaansluiting kan persoonlijke ervaring inbrengen. Vanuit de eigen huiskamer berichten burgers over hoeveel slachtoffers er bij internationale luchtaanvallen zijn. Daardoor wordt het bijna onmogelijk om zware misdaden ongezien te begaan.

Voorbeeld Bellingcat

Bellingcat (Belling the cat, wanneer je de kat een bel omhangt is hij niet meer gevaarlijk) is een netwerk van burgeractivisten rond Eliot Higgins die onderzoek doen naar het gebruik van wapens in de Syrische burgeroorlog en de oorlog in Oekraine. Bellingcat werd vooral bekend door de satellietbeelden van de vliegtuigramp MH17 in Oekraïne.

Higgins begint in 2012 met een blog en video’s over de Syrische burgeroorlog waarbij het Syrische leger bommen en chemische wapens op de burgerbevolking inzet. Juli 2014 start hij via crowdfunding met het burgerjournalistenplatform Bellingcat, dat sneller informatie aanlevert dan de traditionele massamedia.

December 2016 publiceert Bellingcat een analyse over het wapengeweld van Russische seperatisten tegen Oekraïense burgers in de zomer van 2014. De netactivisten van Bellingcat zeggen bewijs gevonden te hebben voor het feit dat Rusland de MH17 heeft afgeschoten met een Buk-raket. Zij beschuldigen Rusland ervan videomateriaal van het ongeluk gemanipuleerd te hebben.

Higgins.jpg

Eliot Higgins (© Youtube/DAI Heidelberg)

Hoe gaat Higgins te werk?

Eliot Higgins was een werkloos administratief medewerker die thuis voor zijn jonge dochter zorgde toen hij geschokt werd door beelden van burgerslachtoffers uit Syrië. Het regiem en de rebellen zetten zelf propagandamateriaal van hun acties of films van burgerslachtoffers bij YouTube online. Higgins bekijkt per dag 300 van zulke videos waardoor hij aan de hand van de gebruikte wapens in zijn blog precies kan zeggen waar het zich afspeelt en wie de strijders zijn. In Syrië zelf zijn geen journalisten meer, Bashar al-Assad heeft ze het land uitgezet en meer dan 50 zijn er gedood.

De beelden die Higgins op zijn blog zet zijn gruwelijk en niet geschikt voor kinderen. De vraag is of dat journalistiek verantwoord is omdat kinderen het ook kunnen zien, anderzijds is het de vraag of deze beelden verborgen moeten blijven voor de wereld want het is de trieste werkelijkheid die wij niet zouden kennen zonder Higgins en zijn burgerjournalisten, er zijn immers geen professionele journalisten meer in het onderzochte gebied actief.

Recentelijk heeft Bellingcat de Facebook account van de gezochte aanslagpleger Anis Amri op de Berlijnse kerstmarkt nagetrokken en gepubliceerd op de website. Bellingcat biedt in dit geval via van burgers verkregen data een mogelijkheid om informatie te verzamelen waarmee een terrorist bijvoorbeeld eerder opgespoord kan worden.

Consequenties voor de media inhoud en conclusie

In het voorgaande is duidelijk geworden dat nieuwe verdienmodellen voor journalisten niet alleen noodzakelijk zijn maar ook uitvoerbaar. De storytelling en service georiёnteerde verdienmodellen bevatten een breed scala aan moderne instrumenten waaruit gekozen kan worden.

Tegelijkertijd mag de kerntaak van journalisten niet in gevaar komen door teruglopende advertentie-inkomsten of dalende overheidssubsidies maar ook niet door de nieuwe verdienmodellen. Journalisten hebben immers als belangrijke publieke taak als onafhankelijke vierde macht de staat te controleren en burgers van informatie te voorzien zodat zij hun democratische rol kunnen uitoefenen.

Als we de instrumenten van het storytelling verdienmodel nalopen is er een instrument dat potentieel gevaarlijk kan zijn voor voldoende pluriforme content, namelijk het instrument om gratis artikelen te produceren en aan te bieden waardoor de advertentie inkomsten per klik toenemen. Dit laatste is van invloed op de kwaliteit omdat dat wat het meest aangeklikt wordt niet perse het beste artikel hoeft te zijn.

Ook het werken voor commerciële bedrijven kan de kwaliteit van de journalistieke content beinvloeden, wanneer de journalist niet zorgt dat hij onafhankelijk blijft en transparant is over zijn activiteiten. De consument moet weten wat de bronnen zijn (Prenger en van Vree, 2004).

Als we de instrumenten van het service georiёnteerde verdienmodel bekijken blijkt het in dit model juist mogelijk, zoals door crowdsourcing, tegelijkertijd de kosten te drukken en de kwaliteit te verhogen zoals de voorbeelden van Airwars en Bellingcat laten zien.

Het lijkt dus van het grootste belang dat zowel producenten als consumenten de samenstelling van elk nieuw verdienmodel niet klakkeloos accepteren maar eerst kijken naar de consequenties voor de kwaliteit van de content en voor de kerntaak van de journalist.

Zowel het storytelling verdienmodel als het service georiënteerde verdienmodel bevatten instrumenten die de kwaliteit van de inhoud en de rol van journalist om de staat te controleren en de burger van de democratisch benodigde informatie te voorzien onaangetast laten.

Zo kunnen nieuwe verdienmodellen ervoor zorgen dat de journalistieke productie zowel duurzamer wordt als ook de vereiste kwaliteit blijft behouden om de burger democratisch te doen functioneren.

Literatuur/links

Anderson, C.W., Bell, E., & Shirky, C. (2012). Post-Industrial Journalism: Adapting to the Present. Columbia Journalism School. Tow Center for Digital Journalism.

Ala-Fossel, F., Bakker, P., Ellonen, H. K., Kung, L., Lax, S., Sadaba, C., & Wurff, R. van der (2008). The Impact of the Internet on Business Models in the Media. Industries –Asector-by-sector Analysis. In: L., Kung, R., Picard, R., Towse (Red.). The Internet Mass Media. Londen: SAGE Publications.

Carner, D. J. (2012). Multimedia narratives, data visualization, collaborative news engagement and new media business models. Proceedings of the 8th IFLA General Conference and Assembly in Helsinki, Finland.University of Missouri.

Howe, J. (2006).The Rise of Crowdsourcing. wired.com. 14 juni 2006. Geraadpleegd op 28 december 2016.

Howe, J. (2008). Crowdsourcing. Why the Power of the Crowd is Driving the Future of Business. New York: Crown Business Publishing,  ISBN 978-0-307-39620-4.

https://mospace.umsystem.edu/xmlui/handle/10355/14830

Kaye, J., Quinn, S. (2010). Funding journalism in the digital age: Business models, strategies, issues and trends. New York: Peter Lang Publishing.

Lee-Wright, P., Philips, A., & Witschge, T. (2012). Changing journalism. London/New York: Routledge  Firm.

Lowrey, W., Gade, J.P. (2011). Changing the news: The forces shaping journalism in uncertain times. New York: Taylor & Francis.

Nahuis, R., Appelman, M., Dijk, M. van, Vollaard, B. & Waagmeester, D. (2004). Onderweg naar morgen: Een economische analyse van het digitaliserende medialandschap ).Centraal Plan Bureau op verzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, ISBN 90-5833-207-1.

Opgenhaffen, M. & Belle, B. van (2014). Sociale media en journalistiek. Leuven: Lannoo.

Papsdorf, C. (2009). Wie Surfen zu Arbeit wird. Crowdsourcing im Web 2.0. New York: Campus,  ISBN 978-3-593-39040-6.

Pew Research Centre’s Project for Excellence in Journalism (2010). News leaders and the future. Geraadpleegd op 28 december op http://www.journalism.org/node/20072.

Picard, R. G. (2008). The challenges of public functions and commercialized media. In: D. Graber, D. McQuail, & P. Norris (Red.),The politics of news, the news of politics. Washington: CQ Press.

Picard, R. (2010). A business perspective on challenges facing journalism. In: R. Nielsen & D. Levy (Red.), The changing business of journalism and its implications for democracy. Reuters Institute for the Study of Journalism.

Prenger, M.A.E., & Van Vree, F.P.I.M. (2004). Schuivende Grenzen: De vrijheid van de journalist in een veranderend medialandschap. Amsterdam: NVJ/Prometheus.

Radden Keefe, P.:  Rocket man: How an unemployed blogger confirmed that Syria had used chemical weapons. The New Yorker, 25 november 2013, geraadpleegd op 27 december 2016.

Reijnders, M., Stegeren, T. van & Waal, M. de (Red.) (2007). Journalistiek in Nederland: onderweg, maar waarheen? Jaarboek 2007, Apeldoorn/Antwerpen: Het Spinhuis.

Roerdink, Y. (2013). Verdienmodellen in de journalistiek. Masterscriptie Universiteit van Amsterdam.

Sirkkunen, E., Cook, C. (Red.). (2012). Chasing sustainability on the net. Internationalresearch on 69 journalistic pure players and their business models. Tampere Research Centre for Journalism, Media and Communication.

Smit, R. (2013, 19 februari). Groter publiek voor kleiner scherm. Het Financieele Dagblad. Geraadpleegd op 28 december 2016 http://fd.nl/entrepreneur/young-entrepreneur/marketing/922172-1302/groter-publiek-voor-kleiner-scherm.

Tegenlicht, VPRO-documentaire “Digitale burgerdetectives”, uitgezonden 13 november 2016.

Wunsch-Vincent,  S. (2010). Online News: Recent developments, new business models and future prospects. In: D. Levy & R. Nielsen (Red.), The changing business of Journalism and its implications for democracy. Oxford: Reuters Institute for the Study of Journalism.

http://www.bellingcat.com

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De Oranje Revolutie 2004 en Euromaidan 2013/2014

“New information technologies threaten sovereigns that depend on maximum political, economic, and cultural control over their peoples […] no longer can totalitarian regimes ensure themselves a safe environment by controlling the newspapers, radio and television stations because the World Wide Web remains beyond their control and manipulation” (Perrit, 1998: p. 431).

In deze blog zal ik kort de Oranjerevolutie en uitvoerig de Euromaidanrevolutie beschrijven en de rol daarbij van het internet en de sociale media. De vraag die hierbij van belang is, is of het internet via usergenerated content meer democratie voortbrengt. Kleine politieke spelers of burgers kunnen nu immers de traditionele media omzeilen en worden gehoord, ze kunnen de achterban beter bereiken en hun activiteiten strakker organiseren en er zijn meer mogelijkheden voor debat. Wanneer er meer mensen via sociale media gaan participeren en politiek bewuster worden creëert dit een groter potentieel sociaal kapitaal en een goed functionerende civil society. Met sociaal kapitaal wordt gedoeld op het samenbinden van  mensen via ondersteunende netwerken (Putnam, 2000). Deze opvatting gaat uit van een utopische visie op het internet waarbij het internet vrij is van gatekeepers en een publieke cyberruimte ontstaat voor nieuwe sociale en politieke bewegingen als forum voor het volk (Abbot, 2001, p. 99), die de kans op collectieve actie en politieke mobilisatie doet toenemen (Gamson et al., 1982, p. 15).

Vooral sociale media geven zowel politici als gemarginaliseerde groepen die minder vaak in de massamedia verschijnen een middel om sociaal kapitaal bij elkaar te brengen (Bennett, 2012; Castells, 2009; Loader & Mercea, 2011; Stiegler, 2008) om zo in een publieke voor iedereen toegankelijke sfeer te participeren in de democratie (Hague & Loader, 1999). Via sociale media kunnen politici en andere groepen hun ideeën onmiddellijk en snel via een groot netwerk doorgeven, de achterban activeren (Leung & Lee, 2014; Palczewski, 2001; Warner, 2002) en het sociale kapitaal van individuen verbeteren (Ellison, Gray, Lampe, & Fiore, 2014; Putnam, 2000).

Russia Battle For Ukraine

                          Oranje Revolutie 2004 (© picture-alliance/AP)

Ten tijde van de Oranje revolutie en de nog te bespreken Euromaidanrevolutie wisten enkele burgerjournalisten de bestaande media te omzeilen en de dominerende staatspropaganda te ondermijnen onder het motto: “factual truth is the bedrock of a free politics” (Goldfarb, 2006, p. 18; Barabási, 2003). Via het internet en de dynamische groei van sociale netwerken wisten burgerjournalisten een alternatieve sociale protestbeweging op te zetten die tegen de regering in opstand kwam (Faris, 2010; Lohmann, 1994, p. 343).

Sociale media waren in staat de democratie te vergroten omdat zij hielpen de publieke sfeer te verruimen (Benkler, 2006; Habermas, 1966; Jenkins, 2006; Leadbeater, 2008). Een grotere publieke sfeer kon in dit geval bijdragen aan het vervangen van hiërarchische instituties en het veranderen van bestaande verhoudingen (Castells, 1996) maar de werking van sociale media moet ook weer niet overschat worden volgens de politicologen Jody Baumgartner en Jonathan Morris (Baumgartner & Morris, 2009). Mensen die politiek actief zijn, zijn ook meestal online actief en dat betekent dat er de facto niet meer mensen politiek actief worden louter en alleen door het internet (Bakker & de Vreese, 2011). Er moet al een actieve sociale offline beweging zijn tegen bijvoorbeeld politieke mistoestanden, wil het internet politiek echt helpen veranderen (Mackinnon, 2008, p. 34).

Tegenover de opvatting dat het internet een democratische revolutie kan veroorzaken en meer mensen inspraak kan geven  – de zogenaamde revolutiethese – staat de opvatting dat het internet geen blijvende veranderingen in de machtsverhoudingen en de democratie teweeg brengt. Dit wordt de normaliseringsthese genoemd (Margolis & Resnick, 2000) en die zegt dat machthebbers meer middelen hebben om zich van de nieuwe technologie te bedienen en dat ook zullen doen. Aan de hand van een nadere beschouwing van de Oranjerevolutie en de Euromaydanrevolutie probeer ik te onderzoeken of er bij deze revoluties eerder sprake is van de revolutiethese of van de normaliseringsthese van het internet.

Oranjerevolutie 2004

Tijdens de Oranjerevolutie wordt de bevolking aangezet tot demonstraties, stakingen en bezettingen vanwege vermeende fraude bij de presidentsverkiezingen tussen Viktor Joesjtsjenko en Viktor Janoekovytsj. Deze laatste behaalt in de tweede ronde een nipte overwinning. De kandidaat van de oppositie Joesjtsjenko roept de bevolking op zich niet bij de verkiezingsuitslag neer te leggen. Internet en moderne communicatiemiddelen zijn nog niet zo wijd verbreid als tijdens de Euromaidanrevolutie tien jaar later. Toch weten actievoerders de bevolking te mobiliseren via het internet. Op de televisiestations, die in handen zijn van de regering,  kunnen de actievoerders niet rekenen, maar via het internet weet de oppositie video’s en informatie te publiceren die door de media over de hele wereld worden verspreid (Wilson, 2005, pp. 130-133).

Grote groepen demonstranten van buiten Kiew reizen naar de hoofdstad en organiseren zich door middel van verkregen informatie op internet en via mobiele telefoons (Goldstein, 2014) middels het Two-Step-Flow-mechanisme (Katz & Lazarsfeld, 1955). Dit wil zeggen dat bekende pleitbezorgers van de democratie met een groot internetnetwerk het idee van een democratische revolutie efficiënter en sneller kunnen verspreiden (Goldstein, 2007, p. 9).

De Oranjerevolutie verloopt vreedzaam en zonder bloedvergieten, bij de Euromaidanrevolutie daartegenover zal de staat gewelddadig tegen de betogers optreden. De demonstrant van de Oranjerevolutie weerspiegelt een doorsnee deel van de bevolking, hij wil een machtswisseling en geen systeemverandering zoals de wat oudere en meer dan gemiddeld ontwikkelde demonstrant ten tijde van de Euromaidanrevolutie eist (Banakh, 2014). De deelnemers aan de Oranjerevolutie zijn in tegenstelling tot de betogers van de Euromaidanrevolutie sterk politiek geëngageerd.

orange-revolutions-2

                                    Oranje Revolutie 2004 (© Symphony of the Nations)

Euromaidan Revolutie 2013-2014

De Euromaidan- of Maidanrevolutie, ook wel de Revolutie van de Waardigheid, is de naam die gegeven is aan de opstand in de Oekraïne die op 21 november 2013 ontstaat tegen de regering van de van corruptie verdachte president Viktor Janoekovytsj. De term „Euromaidan“ wordt aanvankelijk als hashtag van de protesten op Twitter gebruikt en verbindt het woord Europa met het woord Maidanplein in Kiew waar de protesten zich afspelen. Twitter is een tool die veel gebruikt wordt bij protesten wanneer er weinig locale nieuwsmedia aanwezig zijn zoals tijdens de Euromaidan (Steinert-Threlkeld et al., 2015). De term en de protesten verspreiden zich snel via de internationale media.

Na de val van het Sovjetimperium had Oekraïne jarenlang met corruptie, deflatie, geringe economische groei en achterblijvende investeringen te maken. Een deel van de bevolking is de slechte economische situatie eind 2013 beu en eist het aftreden van president Janoekovytsj en de regering van Minister-president Asarow. Rusland zet Oekraïne via handelssancties onder druk  en als de regering vervolgens kiest voor de financiële steun van Rusland, ondertekent Janoekovytsj het Associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne niet, wat veel kwaad bloed zet bij de oppositie. Deze dient een motie van wantrouwen in tegen de regering die bestaat uit een coalitie van de Partij van de Regio’s en de Communistische Partij, samen hebben zij een meerderheid waardoor de motie niet wordt aangenomen.

De journalist Mustafa Najem doet dan een dringende oproep via Facebook aan zijn volgers om op 21 november om 22.30 uur naar het Maidanplein te gaan om vreedzaam tegen het niet-ondertekenen van het Associatieverdrag met de Europese Gemeenschap te demonstreren (Kotsyuba, 2013; Leshchenko, 2014, pp. 52-57; Open Society Foundation, 2014). De demonstranten communiceren onderling via Facebook en in mindere mate via Twitter en hun aantal groeit snel (BBC, 4.12.2013).

De nieuw opgerichte televisiezenders Hromadske TV en Espreso TV identificeren zich sterk met de demonstranten en verslaan de protesten via het internet. Het betreft enkele burgerinitiatieven van Oekraïense journalisten die via internet en sociale media objectieve informatie willen brengen. Espreso TV wordt volgens het linkse dagblad de Junge Welt gefinancierd door het buitenland (Junge Welt, 2014). Op het Maidanplein ontstaat een permanent tentenkamp en tot 18 februari verlopen de protesten tamelijk rustig.

Wanneer Janoekovytsj een anti-demonstratiewet invoert en daarmee het recht op vrije meningsuiting en het recht op vereniging en vergadering inperkt, is het hek van de dam. De regering komt met een antiterrorismeplan en pakt vreedzame betogers op zonder enige vorm van proces. Minstens 20.000 betogers begeven zich daarna op weg naar het Oekraïense parlement en bezetten verschillende regionale parlementen. De politie treedt daarop zeer gewelddadig tegen hen op en probeert het Maidanplein te ontruimen. Het private televisiestation TV kanaal 5 moet stoppen met uitzenden maar blijft via een satellietverbinding op Youtube te zien. De zender geeft live beelden weer van het Maidanplein, de staatsradio en -televisie worden door de demonstranten bezet.

Er staat in binnen- en buitenland veel ophef wanneer Radio Liberty (online) videomateriaal bekend maakt waarop te zien is hoe speciale politie-eenheden demonstranten neerschieten met Kalasnikovs (machinegeweren) en sluipschuttersgeweren. Er sterven alleen al op 18 februari 2014 zeker 25 mensen en op 19 februari 2014 wordt de noodtoestand uitgeroepen. Scholen worden gesloten en al het vervoer wordt stilgelegd. Na 3 dagen vechten zijn er ruim 100 doden te betreuren. Uit het hele land komen demonstranten, dit aantal neemt alleen maar toe naarmate het geweld van de zijde van de regering voortduurt.

Drie Ministers van Buitenlandse Zaken en EU-diplomaten gaan naar de Oekraïne om te bemiddelen en op 21 februari wordt er een akkoord bereikt. De president wil nieuwe verkiezingen uitschrijven maar de betogers nemen er geen genoegen mee en bezetten het parlement. Op 22 februari nemen de tegenstanders van  Janoekovytsj de macht in Kiew over en de president vlucht. Oppositieleidster Yulia Tymoshenko wordt uit de gevangenis vrijgelaten en spreekt de bevolking toe op het Maidanplein. Er komt een tijdelijke regering en er worden nieuwe verkiezingen aangekondigd.

Oekraïne sluit een verdrag met de EU en belooft het rechtssysteem, het politieke stelsel en de economie hervormen. 1 maart gaan duizenden de straat op in diverse steden omdat ze niet achter de nieuwe regering staan. Er ontstaat een roep om afscheiding op het Krimeiland en Rusland bezet de Krim. Er breekt vervolgens een burgeroorlog uit in het oosten van Oekraïne tussen prowesterse groepen en pro-Russische groepen.

maidan

 Een gewonde man wordt weggedragen door anti-regeringsdemonstranten (© Reuters / Yannis Behrakis)

De inzet van internet en sociale media tijdens de Euromaidanrevolutie

Tijdens de Oranjerevolutie werden de protesten via het internet en mobiele telefoons gecoördineerd. Tijdens de Euromaidanrevolutie organiseren zich hele netwerken via de sociale media (Steinert-Threlkeld et al., 2015). Mensen die anders niet met elkaar in aanraking zouden zijn gekomen, doen dat nu wel via zogenaamde weak ties (Granovetter, 1973, pp. 1360-1380), dat zijn contacten die je niet zo goed kent. De meeste inwoners van Oekraïne kregen hun informatie voorheen louter via de Russische televisie of de Oekraïense televisie die in handen is van pro-Russische oligarchen.

De printmedia hebben in Oekraïne nauwelijks een poot aan de grond gekregen (Leshchenko 2014, p. 53). Internetmedia hadden al voor de Oranjerevolutie miljoenen bezoekers en tijdens de Euromaidanrevolutie nemen de internetsites en de sociale media alleen maar toe als alternatieve nieuwsbronnen (Leshchenko 2014, p. 55). Te noemen zijn UA Stream TV, Facebook (Euromaidan, Hromadski Sector en Automaidan) en de live-stream servicedienst Ustream (Leshchenko 2014, p. 55). De meest populaire website was VKontakte, het Russische Facebook (Leshchenko 2014, p. 55). 200 bedrijven die trouw blijven aan de regering worden geboycot via duizenden volgers van Facebook.

Via Facebook worden buurtwachten georganiseerd die uitkijk houden naar knokploegen en er wordt een eigen autovervoerssysteem opgezet, omdat alle verkeer door de regering geblokkeerd is. Deelnemende activisten van buiten Kiew vinden via Facebook onderdak en advocaten roepen via Facebook Euromaidan SOS in het leven waarmee de gearresteerde activisten rechtsbijstand en financiële ondersteuning ontvangen. Via internet komen er vele donaties binnen om het kamp te voorzien van levensmiddelen, tenten etc. Gaarkeukens worden door honderden vrijwilligers bemand om de activisten van voedsel te voorzien en ook dat wordt georganiseerd via de sociale media.

Artsen en medische studenten bekommeren zich om zieken en gewonden en organiseren zich via sociale media, wetenschappers zetten een open universiteit op via het internet. De video “Ik ben een Oekraïense”, met de getuigenis van Julia Maruschewska op het Maidanplein wordt 7,5 miljoen keer bekeken. Beelden van gehandicapte activisten met borden “Schieten jullie ons ook dood” worden wereldwijd gedeeld.

Het internet wordt tijdens de twee revoluties dus vooral gebruikt om aanhangers te mobiliseren en om de opstanden goed te organiseren. De politicoloog Robert Putnam zou deze revoluties zien als een gevolg van door het internet gestimuleerde networks…that facilitate co-ordination and co-operation for mutual benefit (Putnam, geciteerd in Chadwick 2006, p. 87), dat wil zeggen dat sociaal kapitaal via sociale media geactiveerd en gestimuleerd wordt.

Meer democratie door een grotere publieke sfeer (Cunningham 2001, p. 134)?

Volgens de filosoof Jürgen Habermas van de Frankfurter Schule is een democratie gebaat bij het bestaan van een publieke sfeer waarin een democratisch debat gevoerd wordt waaraan iedere burger vrij kan deelnemen (Habermas, 1962). Extra voorwaarden bij het communiceren via het internet is dat mensen verbonden moeten zijn en dat ze weten om te gaan met de gehanteerde techniek.

De filosoof Douglas Kellner, eveneens van de Frankfurter Schule, zegt over internet als publieke sfeer: Computer Technologies [should] be used to serve the interests of the people and not corporate elites […] to articulate their own experiences and interests, and to promote democratic debate and diversity, allowing a full range of voices and ideas to become part of the cyberdemocracy of the future (Kellner, 2000, pp. 259-288). Kellner ziet het internet dus niet als een democratische publieke sfeer maar eerder als een product van het kapitalisme, dat geld verdient met individuele communicatie en dat helemaal geen publieke sfeer wil creëren.

De oorzaak van revoluties ligt volgens communicatiewetenschapper Christian Fuchs dan ook eerder aan de uitwassen van het neoliberalisme en niet aan het veelvuldig gebruik van internet en sociale media (Fuchs 2012, pp. 389-390). Wanneer meer democratie ontstaat door het creëren van een publieke sfeer is er sprake van de revolutiethese. .

Revolutiethese

Bij de komst van het internet is er de discussie of het internet nu wel of niet van substantiële invloed is op de democratie, meer in het bijzonder op het beter en meer meedoen van grotere groepen van de bevolking bij politieke besluitvormingsprocessen. Zoals we voorheen zagen organiseert en mobiliseert het internet burgers (Norris,  2001, p. 218; D`Alessio, 1997) en kunnen (politieke) campagnes beter georganiseerd worden (Marcinkowski & Metag, 2013, p. 28) waardoor mensen meer met elkaar in debat treden en de publieke sfeer vergroot wordt.

De gedachtegang achter een grotere betrokkenheid van meer burgers was hierbij dat het dankzij het internet goedkoper en gemakkelijker zou worden je mening naar voren te brengen en gehoord te worden. De afhankelijkheid van de media als poortwachters van het uiten van meningen zou kleiner want kleine politieke spelers kunnen zich via het internet buiten de traditionele media om tot hun achterban richten (Gibson & Ward 1998; Voerman 2000, p. 208) waardoor er meer sociaal kapitaal gemobiliseerd wordt.

Daarnaast kunnen de traditionele media de politiek actieve burgers beter vinden via het internet (Gibson & McAllister, 2006) waardoor ze ook hun achterban beter weten te mobiliseren. Dit is de strekking van de zogenaamde Revolutiethese (Margolis & Resnick 2000; Meik 2014). Volgens deze these wordt het publieke debat door het internet gestimuleerd en dat kan leiden tot meer democratisering (Benkler, 2006). Het internet geeft het individu of de kleine groep meer macht ten koste van het hiërarchische centrum door een onbegrensd sneeuwbaleffect.

Normaliseringsthese

Tegenover de revolutiethese staat de normaliseringsthese (Margolis & Resnick, 2000). De politicologen Michael Margolis en David Resnick pleiten voor ‘cyberrealisme’ en erkenning van de beperkingen van het internet als grote ‘bevrijder’. Internet geeft juist meer invloed aan de machtigen, ten koste van de zwakkeren. Volgens de normaliseringsthese verandert het internet de normale politieke verhoudingen en politieke betrokkenheid dan ook niet.

Met betrekking tot bijvoorbeeld verkiezingscampagnes zou het volgens deze these zo zijn dat grotere budgetten ook een betere toegang tot de publieke sfeer zouden geven, zodat aan het oorspronkelijke krachtsverschil niet wezenlijk iets verandert. Dit betekent dat de democratie volgens de normaliseringsthese niet aan kwaliteit zou winnen.

Nadelen van het internet op de politieke participatie

Een belangrijk nadeel van het internet en sociale media is dat je niet weet of de verspreide informatie echt waar is en tijdens de Euromaidan zorgden propaganda en valse informatie dan ook soms voor verwarring (Onuch 2015b, p. 179-181).

Een ander nadeel is dat sociale media tot een fragmentering van de publieke sfeer kan leiden, doordat mensen met dezelfde overtuigingen elkaar opzoeken en andere meningen buitensluiten (homophily).

Een laatste negatief punt is dat de overheid het internet ook kan gaan controleren en afsluiten, in beide bovengenoemde gevallen heeft de overheid echter de betekenis van het internet onderschat.

Conclusie

We zien bij de Euromaidanrevolutie dat sociale media sociaal kapitaal misschien wel helpen te activeren maar uiteindelijk doet Facebook mensen niet demonstreren (Onuch, 2015b, p. 172), de oorzaken van de revolutie lagen in de slechte economische situatie en de politiek. Facebook veroorzaakt geen revoluties, het organiseer een revolutie hooguit makkelijker.

Bij de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie zien we dat technologie burgers meer macht geeft en dat dit ten koste gaat van de autoritaire leiding van Oekraïne. Het internet geeft conform de revolutiethese kleine groepen burgers de mogelijkheid om op een snelle en goedkope manier de achterban en de bevolking te mobiliseren. Dat creëert een ruimere publieke sfeer waardoor een groter deel van de bevolking in opstand kon komen.

In beide revoluties onderschatte de overheid de betekenis van het internet. Al met al kan worden geconcludeerd dat de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie  aantonen dat het internet wel degelijk de democratie positief kan beïnvloeden zoals de revolutiethese stelt. Maar, en hier komt de normaliseringsthese weer om de hoek kijken, of dit ook werkelijk gebeurt hangt er van af of mensen zich ook laten mobiliseren om bijvoorbeeld te gaan demonstreren. Dat laatste was zoals we gezien hebben bij de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie ongetwijfeld het geval, zodat deze beide ervaringen duiden op een bevestiging van de revolutiethese van het internet.

Geraadpleegde literatuur

Atton C. (2002), Alternative Media. London, SAGE.

Bailey O.G., Cammaerts B. & Carpentier N. (2008). Understanding Alternative Media. Buckingham, Open University Press.

Bakker, T. P. & de Vreese, C. H. (2011). Good news for young people, Internet use, and political participation. Communication Research, Vol.38, pp. 451–470.

Banakh, M.(2014). Die Orange Revolution 2004 und der Euromaidan 2013/2014, Gemeinsamkeiten und Unterschiede. Bonn, Bundeszentrale für politische Bildung, 27.2.2014.

Barabási, A.-L. (2003). Linked: How Everything is Connected to Everything Else And what it Means. New York, Plume.

Bartkowski, M. (2014). Die Maidan-Revolution in der Ukraine – Gewaltloser Widerstand in gewaltgeladener Situation. Boon, Bundeszentrale für politische Bildung, 27.3.2014.

Baumgartner, J. C. & Morris, J. S. (2009). MyFaceTube politics: Social networking web sites and political engagement of young adults. Social Science Computer Review, Vol.28, pp. 24–44.

BBC-News (2013). How Ukrainian protestors are using Twitter and Facebook, 4 december 2013.

Benkler, Y. (2006). The wealth of networks: How social production transforms markets and freedom. New Haven, CT, Yale University Press.

Bennett, W. L. (2012). The personalization of politics: Political identity, social media and changing patterns of participation. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, Vol.644, pp. 20–39.

Castells, M. (1996). The information age: The rise of the network society, Vol.1, Malden MA, Blackwell.

Chadwick, A. (2006). Internet Politics: States, Citizens, and New Communication Technologies. Oxford, Oxford University Press.

D`Alessio, D. (1997). Use of the World Wide Web in the 1996 US elections, Electoral Studies, Vol.16, pp. 489-500.

Dittler, U. & Hoyer, M. (Red.). Social network – Die Revolution der Kommunikation. München, Kopaed.

Ellison, N., Gray, R., Lampe, C., & Fiore, A. (2014). Social capital and resource requests on Facebook. New Media and Society Vol.16(7), pp. 1104–1121.

Faris, D.  (2010). Revolutions Without Revolutionaries? Social Media Networks and Regime Response, in: Egypt. Ph.D. Dissertation, University of Pennsylvania.

Fuchs, C. (2012). Social media, riots, and revolutions, Capital & Class, Vol.36, pp. 383-391.

Gamson W., Fireman B. & Rytina S. (1982). Encounters with Unjust Authority. Homewood IL, Dorsey Press.

Gibson, R.K. & Ward, S.J. (1998). U.K. political parties and the internet. “Politics as usual” in the new media? Press/Politics, Vol.3(3), pp. 14-38.

Gibson, R. K. & McAllister, I. (2011). Do online election campaigns win votes? The 2007 Australian “Youtube” election. Political Communication, Vol.28(2), pp. 227-244.

Goldfarb, A. (2006). State Dependence at Internet Portals, Journal of Economics & Management Strategy, Wiley Blackwell, Vol.15(2), pp. 317-352, 06.

Goldstein; J. (2007). The Role of Digital Networked Technologies in the Ukrainian Orange Revolution, Harvard, Berkman Center Research Publication, Vol.14.

Granovetter, M. (1973). The strength of weak ties, Am J Sociol, Vol.78, pp. 1360-1380.

Habermas, J. (1962). Strukturwandel der Öffentlichkeit. Frankfurt, Suhrkamp.

Hague, B. & Loader, B. (Red.) (1999). Digital democracy: discourse and decision making in the information age. London, Routledge.

Jenkins, H. (2006). Convergence culture: Where old and new media collide. New York, University Press.

Junge Welt (2014). Agenten im Fronteinsatz – Berlin, Washington und Warschau haben auf dem Maidan ihre Leute – Junge Welt, 31.1.2014, p. 3.

Katz, E. & Lazarsfeld, P.F. (1955). Personal Influence: the Part Played by People in the Flow of Mass Communications. Piscataway, Transaction Publishers, pp. 309ff.

Kellner, D. (2000). Habermas, The Public Sphere, and Democracy: A Critical Intervention, Perspectives on Habermas, Open Court, pp. 259-288.

Kotsyuba, O. (2013). Ukraine’s Battle for Europe, in: The New York Times, 29 november 2013.

Leadbeater, C. (2008). We-think. London, Profile Books.

Leshchenko, S. (2014). The Media’s Role, in: Journal of Democracy. 25, Vol.9, Juli 2014, pp. 52–57.

Leung, D.. & Lee, F. (2014). Cultivating an active online counterpublic: Examining usage and political impact of Internet alternative media, The International Journal of Press/Politics, Vol.19(3), pp. 340–359.

Lilleker, D. en Jackson, N. (2010). Towards a More Participatory Style of Election Campaigning: The Impact of Web 2.0 on the UK 2010 General Election, Policy & Internet, Vol.2(3), pp. 69-98.

Loader, B. & Mercea, D. (2011). Networking democracy? Information, Communication & Society, Vol.14(6), pp. 757–769.

Lohmann, S. (1994). The Dynamics of Informational Cascades: The Monday Demonstrations in Leipzig, East Germany, 1989–1991, World Politics, Vol.47(1): pp. 42–101.

Mackinnon R. (2008).  Flatter world and thicker walls? Blogs, censorship and civic discourse in China. Public Choice 134, pp. 31–46.

Marcinkowski, F. & Metag, J. (2013). Lassen sich mit dem Internet Wählerstimmen gewinnen? Befunde zu drei deutschen Wahlen, Publizistik Vol.58, pp. 23-44.

Margolis, M. & Resnick, D. (2000). Politics as Usual? The Cyberspace Revolution, London, SAGE.

Meik, F. (2014). Warum die neuen Medien unsere Demokratie bedrohen. Die digitale Disruption und ihre Folgen, in: Dittler, U. & Hoyer, M. (Red.), Social network – Die Revolution der Kommunikation. München, Kopaed.

Norris, P. (2001). Digital Divide? Civic Engagement, Information Poverty and the Internet Worldwide. Cambridge, Cambridge.

Onuch, O.(2015a). Maidans Past and Present: Comparing the Orange Revolution and the Euromaidan, in: Marples, D. & Mills, F. (Red.): Ukraine’s Euromaidan: Analyses of a Civil Revolution. Stuttgart, Ibidem-Verlag, ISBN 978-3-8382-0740-7, pp. 27–56.

Onuch, O. (2015b). Facebook Helped Me Do It: Understanding the EuroMaidan Protester ‘Tool-Kit’, Studies in Ethnicity and Nationalism, Vol.15(1).

Open Society Foundation. Uprising in Ukraine: How It All Began, 4 april 2014.

Palczewski, C. (2001). Cyber-movements: New social movements, and counterpublics, in: Asen, R. & Brouwer, D.C. (Red.), Counterpublics and the state, pp. 161–186. Albany, NY, State University of New York Press.

Perrit, H. (1998). The Internet as a threat to sovereignty? Thoughts on the Internet’s role in the national and global governance. Indiana Journal of Global Legal Studies 5. 2., pp. 423-442.

Popple K. (1995). Analysing Community Work. Buckingham, Open University Press.

Putnam, R. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York, Simon & Schuster.

Radsch, C.C. (2016). Cyberactivism and citizen journalism in Egypt, Digital Dissidence and Political Change. Washington, Palgrave.

Schuller, K. (2014). Ukraine, Chronik einer Revolution. Warschau, Tapeta.

Steinert-Threlkeld, Z.C., Mocanu, D., Vespignani, A. & Fowler, J. (2015). Online social networks and offline protest, EPJ Data Science, Vol.4(19).

Stiegler, B. (2008). Acting out. Stanford, CA, University Press.

Voerman, G. (2000). Elektronisch folderen: de digitale campagne, in: Brants, K. & Praag, P. van (Red.) (2000), Tussen beeld en inhoud. Politiek en media in de verkiezingen van 1998. Amsterdam, Het Spinhuis, pp. 193-213.

Warner, M. (2002). Publics and counterpublics. Cambridge MA, MIT Press

Wilson, A. (2005). Ukraine’s Orange Revolution, New Haven en London, Yale University Press.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Innovatieve journalistiek in Vlaanderen, zo innovatief nog niet?

Met een nieuw op te richten Vlaams Stimuleringsfonds voor Innovatieve Journalistiek wil het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek innovatie onder journalisten stimuleren omdat het aantal mediabedrijven de laatste jaren flink is geslonken en dat gaat ten koste van de diversiteit. Via Brecht Decaestecker, hoofdredacteur digitaal bij de VRT Nieuwsdienst,  probeer ik te achterhalen wat innovatie betekent voor de dagelijkse werkwijze als journalist bij een groot mediabedrijf als de VRT.

mg-3672Het gebruik van het internet kan volgens de VRM (Vlaamse Regulator van de Media) de toenemende verarming van het nieuwsaanbod tegengaan. Op dit gebied loopt Vlaanderen achter, er zijn nog maar weinig initiatieven waarbij het internet een belangrijke rol speelt. Een daarvan ontwikkelt de VRT, zij zetten in op synergie, dat wil zeggen dat televisie, radio en de onlineredactie samenwerken.

Brecht Decaestecker (37), de nieuwe hoofdredacteur digitaal bij VRT Nieuws en voormalig adjunct-hoofdredacteur bij dagblad De Morgen (Persgroep) heeft de leiding over de digitale nieuwskanalen van VRT Nieuws, zowel Deredactie.be als op sociale media. Decaestecker werd geboren in Roeselare, studeerde Germaanse Talen aan de Universiteit van Gent en volgde daarna een Master Journalistiek aan de Erasmus Hogeschool Brussel. Hij begon zijn loopbaan als journalist bij de Krant van West-Vlaanderen en later werkte hij bij Het Nieuwsblad. Vanaf 2006 was hij bij De Morgen achtereenvolgens coördinator van de mediabijlage Media.com, chef nieuws, chef weekend, adjunct-hoofdredacteur en verantwoordelijke voor de digitale projecten. Vorig jaar stapte hij over naar Humo.

Decaestecker legt uit: “Als de VRT je de kans biedt om haar nieuwsdienst mee het digitale tijdperk in te loodsen, dan kan je niet anders dan daar ja tegen zeggen. Het is voor mij bijzonder fascinerend om mee vanuit de cockpit de digitale toekomst van de journalistiek te ontdekken. Als hoofd Digitalisering bij De Morgen was ik belast met alle nieuwe digitale projecten en hebben we de website vernieuwd, waardoor het aantal bezoekers met 40 procent steeg tot 15.000 betalende abonnees. We hadden er ook een rendabele artikelservice. In januari 2016 had De Morgen het grootste aantal digitale abonnees van alle Belgische kranten. We moeten met VRT Nieuws ook inzetten op digitaal nieuws, we willen immers alle generaties, jong en oud, bereiken”. Als hoofd innovatie VRT,  reorganiseert hij de redacties,  hij probeert radio-, televisie- en onlinejournalisten samen te laten werken aan hetzelfde mediaproduct door middel van digitalisering via o.a. de VRT-website. „Televisie, radio en kranten werken tweedimensionaal. Wanneer zij digitaal  gaan is veel meer mogelijk. Het gaat erom hoe kan ik mijn verhaal het beste vertellen. Een goed voorbeeld daarvan is AJ-plus, het online nieuwskanaal van Al Jazeera Media Network (AJMN).“

vrt

Bron: Ketnet.be

“Via video kun je een jonger publiek bereiken. Dat is de opdracht van de publieke omroep: een zo groot mogelijk publiek bereiken. Speciaal voor de website is er een grote superstudio gebouwd  waar de video’s voor de site worden gemaakt en voor Facebook Live. We zetten de films liefst direct op de VRT-Site voor de overzichtelijkheid. Experten  en onze anchors laten zich er met veel plezier opnemen. Op de site vertonen we ook liveprogramma’s zoals persconferenties waarvoor we op tv geen zendtijd hebben. Via een verbinding met Facebook kunnen bezoekers ons vragen stellen, ook via een speciale applicatie. Omdat er in België geen journaal voor 13 uur is kan er wel al ’s morgens het laatste nieuws via de website worden gevolgd zoals over de Amerikaanse verkiezingen. Uit de statistieken blijkt dat vooral 18-24-jarigen graag het nieuws via de website volgen op hun smartphone. De VRT past zich aan haar smartphone-publiek aan, dat begrijpt dat je online veel meer nieuws brengen kunt. Online kun je ook dieper op een onderwerp ingaan dan bij radio en televisie. De overheid vindt deze vorm van nieuwsvoorziening noodzakelijk en daarom maakt zij dit financieel ook mogelijk voor ons. De site heeft dagelijks ongeveer 400.000 bezoekers (de site van HLN heeft bijvoorbeeld iedere dag 2 miljoen bezoekers). De website is slechts een nieuwe vorm die helpt bij het verhaal dat je vertellen wilt en dat komt ten bate aan de inhoud. Het is een extra middel om informatie te vinden voor de bezoeker. De vorm is dus ondergeschikt aan het journalistieke verhaal.“

vrt-logo-svg„Er is een enorme honger naar informatie en er bestaat een grote behoefte bij het publiek om  naast het journaal verdiepende artikelen en video’s te bekijken via de website. Kranten verwijten ons dat wij hen met onze site economisch benadelen, zij worden niet gesubsidieerd door de overheid en moeten leven van de te bestellen artikelen op hun website. Wanneer wij dan gratis nieuws aanbieden zien zij dat niet zo graag. Dit vind ik een onterecht verwijt want de kranten kunnen via een hybride abonnement van online abonnement samen met de weekendkrant goed overleven. Kranten hebben zich altijd aan de markt aan moeten passen en dat doen wij ook. De oplossing is steeds nieuwe dingen uitproberen en  constant zoeken hoe je op een innovatieve manier je verhaal aan de kijker kunt brengen. Natuurlijk mag dit niet ten koste gaan van de inhoud, het feit dat er veel beelden en video’s op de site staan wil niet zeggen dat tekst minder belangrijk is. Ik  kom uit de krantenwereld en dan gaat het per definitie om de inhoud. Maar wie leest er tegenwoordig nog een longread, op de website kun je het longread artikel met video’s aantrekkelijker maken om te lezen. Dat noem ik geen infotainment, ik wil juist dat mensen meer gaan lezen via ons online-aanbod en onze apps. Door het ontwikkelen van extra appslicaties voor onder andere Karrewiet (het jeugdjournaal van de VRT) kun je kinderen nog beter informeren en met nieuws vertrouwd maken.“

Zorgt het internet niet ervoor dat mensen juist minder weten omdat ze op het internet gericht op zoek moeten gaan naar informatie en niet iedereen daartoe in staat is?

„We moeten met onze tijd meegaan, er wordt inderdaad minder televisie gekeken en mensen zoeken alles op via google, dan kunnen ze dat nu ook doen via onze website. Je moet de consument volgen in zijn zoekgedrag en daarop inspelen. Dan kun je ook overleven als media.“

Is het gebruik van het internet dus louter een overlevingsstrategie voor de VRT?

„Nee, dat is het niet. Je kunt zoveel oneindig veel meer met internet, je kunt als gebruiker ieder moment van de dag informatie opvragen, waar je ook bent, bij radio en televisie ben je toch gebonden aan uitzendtijden en frequenties. Bij iedere innovatie is het zo dat maar de helft van het personeel je wil volgen aanvankelijk, iedereen wil alles liever bij het oude houden maar zelfs de anchors zijn nu enthousiast.“

Conclusie

SV-p4H-x.jpg

Bron: Decaestecker DC Twitter

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de VRT hier verre van voorop loopt met het voorgestelde initiatief.  Het lijkt wel of de VRT pas in actie komt nu jongeren massaal bij de televisie weglopen of hele families niet eens meer een televisie in huis hebben. Bij het bekijken van de website valt op dat er hard geprobeerd is om van de site een toegankelijke familiesite te maken, maar ga je deze site ook echt bekijken wanneer je gericht op zoek bent naar uitgebreide informatie over een bepaald onderwerp? Het is bekend dat kijk- en luistercijfers een belangrijke rol spelen bij de VRT maar  om alle kijkcijfers op de website te plaatsen zoals de VRT doet, geeft aan dat er wel erg veel waarde aan gehecht wordt. Dit kan de inhoud van het mediaproduct sterk bepalen (u vraagt, wij draaien). Belangrijk bij het invoeren van innovaties is dat de journalist er zich bewust van is dat zijn werkwijze verandert door het toepassen van innovaties als het internet. De bronnen die hij gebruikt komen immers steeds vaker van het internet en sociale mediaplatformen en dat betekent dat de herkomst van de informatie niet altijd even betrouwbaar en te controleren is. Omdat er op het internet zeer snel informatie moet worden aangeleverd is er juist minder tijd voor verdieping. Wanneer de journalist zich aan de veranderde vraag aanpast, past hij dus ook ongemerkt zijn werkwijze aan. Hij wordt van gatekeeper een gatewatcher. Dat betekent dat hij niet meer in de eerste plaats zelf de agenda in de media bepaalt, zijn rol als controleur van de macht wordt daardoor kleiner en het publiek debat minder divers.

Het initiatief van digitalisering van de VRT lijkt dus eerder een overlevingsstrategie dan een manier om het nieuwsproduct pluriformer te maken en de verarming van het media aanbod tegen te gaan. Onder innovatie verstaat het Vlaams Stimuleringsfonds voor Innovatieve Journalistiek toch wat anders. Bij de echte innovatie waarop Vlaanderen en de VRM zit te wachten gaat het er juist wel om het nieuwsproduct pluriformer te maken, het medialandschap meer divers te maken  en te experimenteren met nieuwe journalistieke werkwijzen die dankzij het internet mogelijk geworden zijn (Spyridou et.al., 2013).  Door nieuwe tools als sociale media kun je een groter publiek betrekken bij jouw nieuwsproductie (crowdsourcing) en gelden verzamelen voor innovatie (crowdfunding). Je kunt niet professionele journalisten vragen om input van kennis en ervaring en financiële ondersteuning. Via open source journalistiek boor je een onschatbare hoeveelheid aan bronnen en data aan, daar hoor ik Decaestecker helemaal niet over. Sterker, de Facebooksite zendt voornamelijk eenzijdig uit en vraagt geen informatie of medewerking aan de bezoekers. Het lijkt of de VRT hier zeer traditionele journalistiek bedrijft, maar dan  met een modern sausje, de vorm is anders, de inhoud volgens Decaestecker niet. Wanneer je op een traditionele manier blijft denken en werken als journalist, dan verandert de inhoud inderdaad niet..daar zit hem nu juist de pijn.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws

http://www.fondspascaldecroos.org/inhoud/nieuws/vlaams-stimuleringsfonds-innovatieve-journalistiek

Platform voor jonge innovatieve journalisten: http://www.openvrt.be/

Spyridou, L-P, Matsiola, M., Veglis, AS., Kalliris, G. & Dimoulas, C. (2013), Journalism in a state of flux: Journalists as agents of technology innovation and emerging new practices, the Internationationl Communication Gazette Vol.75(1), pp. 76-98.

VRM (2015), Rapport mediaconcentratie, afgeroepen op 25 november 2016: http://www.vlaamseregulatormedia.be/sites/default/files/20151116_mediaconcentratierapport_2015.pdf

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De TWITTER-revolutie in politiek en journalistiek, goed voor de democratie?

twitter-birdIn dit blog belicht ik de techniek van Twitter als innovatieve tool voor journalisten en politici en onderzoek ik of Twitter het publieke debat en daarmee de democratie dient. Twitter biedt immers de mogelijkheid voor een geïntegreerde openbaarheid doordat verschillende lagen van openbaarheid in één medium samenkomen (Neuberger, Hofe & Nuernbergk).

Wat is Twitter?

Twitter is een realtime, asynchrone micro-bloggingdienst die in 2006 ontstond in de Verenigde Staten. Gebruikers van Twitter publiceren kleine tekstboodschappen van maximaal 140 tekens, al dan niet voorzien van kleine filmpjes, via een persoonlijk profiel op het internet (Jungherr, 2015). Deze tekstjes zijn voor iedereen zichtbaar op de website van Twitter en dus altijd overal oproepbaar. In 2015 waren er wereldwijd 320 miljoen gebruikers en werden er per seconde 9.000 tweets verstuurd. Het aantal twitteraars stijgt nog steeds met 3 procent per jaar, omdat de kosten per advertentie hoog zijn vindt de dienst maar moeilijk adverteerders  en staat daarom te koop. Het is opmerkelijk dat een dergelijke simpele tool heel nuttig blijkt voor politici die een permanente campagne voeren in het postmoderne (virtuele) verkiezingstijdperk en voor de journalisten die de politici daarbij volgen. Politici en andere Twitteraars communiceren via Twitter onafhankelijk van journalisten en openlijk met elkaar en creëren zo een semipublieke sfeer buiten de traditionele media om. Zij kunnen daardoor via two step flow communication groepen kiezers bereiken die misschien helemaal niet politiek geïnteresseerd zijn (Lazarsfeld, Berelson, Gaudet, 1944).

De Twitter techniek

Wanneer je andere twitteraars via internet volgt ben je een follower, meestal gebeurt dat eenzijdig en weinig communicatief. De tweets of kleine tekstberichtjes worden door volgers aan de eigen volgers doorgestuurdtwitter-bird-2-psd31849 (geretweeted). Achter het @-teken moet je je gebruikersnaam vermelden en dan kun je bij een tweet betrokken raken. Door het asymmetrische karakter van de vriendschappen verspreidt het nieuws of de boodschap zich razendsnel (Opgenhaffen & Van Belle, 2012) en kunnen in korte tijd veel mensen worden bereikt, ook omdat het hierbij vaak gaat om meningen en niet om enkel droge informatie. Een hashtag is wanneer voor één of meer aan elkaar geschreven woorden een hekje # staat. Je kunt op deze hashtags of onderwerpen zoeken en alle tweets met zo’n zelfde hashtag zien. Je kunt ook persoonlijke berichten sturen naar een andere gebruiker en die tweet is dan niet zichtbaar. Topsy is een twitterzoekmachine die aangeeft hoe vaak een trefwoord is genoemd en door wie (Opgenhaffen & Van Belle, 2012). Via Chhirp kun je audiofragmenten toevoegen in een tweet en via twitpic kun je foto’s delen.

Twitter als innovatieve tool voor de journalist

Als journalist verzamel je via Twitter snel relevante informatie over bijvoorbeeld politici omdat de oproepen om informatie wereldwijd verspreid worden in de netwerken van de aangesloten andere deelnemers. Nadeel is dat Twitter informatie voor een journalist die met betrouwbare bronnen moet werken, vaak moeilijk controleerbaar is omdat de context ontbreekt, wat afbreuk doet aan de transparantie. De informatie die gedeeld wordt via Twitter zijn bovendien meer persoonlijke meningen en commentaren dan echte nieuwsfeiten, die daardoor extra juist gretig gedeeld worden. Naast het feit dat Twitterredactie een journalist veel extra tijd en inspanning kost (Neuberger, Hofe, Nuernbergk, 2010) maakt Twitter de rol van journalisten als gatekeeper ook nog eens kleiner, het publiek verspreidt via Twitter immers zelf nieuws en bepaalt daardoor mee de media-agenda: agendasetting (McCombs & Shaw, 1972).

Twitter als innovatieve tool voor politici: agenda-setting

Sinds de verkiezingscampagne van Obama in 2008 is Twitter ingeburgerd in de verkiezingscampagne van de moderne politicus (Golbeck et al. 2010; Jackson & Lilleker, 2011; Kreiss, 2014; Vergeer & Hermans 2013). Obama gebruikte Twitter naast de traditionele campagne om sponsoren te vinden en om de kiezer over te halen te gaan stemmen (Kreiss, 2012; Nielsen, 2012). Daarnaast wordt Twitter door politici ook gebruikt om over politiek te praten, om collectieve actie te ondernemen of om kritiek te uiten (Jungherr, 2015). Vooral politieke activisten maken er graag gebruik van (Broersma & Graham, 2013). Politici kunnen journalisten omgaan via Twitter en zelf nieuws produceren (Himelboim, 2008; Himelboim, Gleave, & Smith, 2009). Journalisten volgen de twitterende politici tijdens hun permanente verkiezingscampagne om meer te weten te komen over hun meningen en activiteiten en om hen te benaderen. Dit geeft politici en spindoctors veel meer macht over journalisten dan zonder Twitter want interessant voor journalisten is het grote aantal bekende en belangrijke personen op Twitter. De aandacht daarvoor heeft invloed op het nieuws dat journalisten maken, dat gaat vooral nog over de elite (Broersma & Graham, 2013).

Twitter tijdens verkiezingsdebatten: second-level agendasetting

Om te weten te komen wat de kiezer gaat stemmen is het belangrijk voor politici en journalisten om uit te zoeken hoe de kiezer over een partij en haar kandidaten denkt. Tijdens live tv-debatten van politici volgt tegenwoordig vaak een tweede scherm het twittergebruik van de kijkers over het debat en de indruk die de kandidaten op hen maken. Journalisten analyseren deze twittertweets via wordclouds, dat zijn collages van woorden die door de kijkers getwitterd worden. Sleutelwoorden of hashtags waarop gezocht wordt zijn bijvoorbeeld winnaar debat, partijnamen en kandidatennamen. Ook twitteren journalisten zelf en beïnvloeden mede wat er gezegd wordt op Twitter. Door het uitzenden van verkiezingsdebatten op televisie via dit format met behulp van Twitter bepaalt de journalistiek vooral mee hoe er over politici wordt gedacht: second-level agenda setting (Ceron, Curini & Iacus, 2016).

Breuk met de traditionele journalistiek door Twitter

angry_twitter_bird_by_ryujin2490-d46665nHet nieuws komt via Twitter naar de journalist toe, hij hoeft zelf niet meer op zoek te gaan naar het nieuws (Opgenhaffen & Van Belle, 2012). Via Twitter kunnen journalisten de trending topics vinden die een extra nieuwsbron opleveren (Opgenhaffen & Van Belle, 2012) maar ze kunnen vooral ook zelf nieuws verspreiden (Neuberger, Hofe & Nuernbergk, 2010).Toen het Kabinet Balkenende in 2010 viel was er geen televisie bij, journalisten bleven op de hoogte via Twitter. Het werd “De nacht van Twitter”. Twitter informeerde waar de traditionele massamedia het af lieten weten. Twitter heeft de journalistiek daardoor ingrijpend veranderd. De journalisten die populair zijn verspreiden meer informatie via Twitter en krijgen ook meer informatie (The rich gets richer). Zij kunnen via Twitter uitzoeken wat wat voor hen van waarde is en hoeven zich in mindere mate laten leiden door persberichten (Van Aalten, 2010).De gevolgen zijn dat verslaggeving meer gepersonaliseerd raakt (Pleijter, 2011) en de productie sterk is versneld. De strikte scheiding tussen makers en gebruikers vervaagt tot networked journalism (Beckett, 2008; Jarvis, 2006): „Users are no longer simply consumers of or audiences for content, but are able to become active producers too: they take on a hybrid rol as producer“. Networked journalism leidt dus tot een versmelting van de rollen van maker en gebruiker (Pleijter 2011, p. 126).

Twitter als scheldkanon en echoput of als publieke sfeer

Bij Twitter geldt: mensen willen verbonden worden met mensen die ongeveer hetzelfde denken: echoput (Sunstein, 2001; Kushin & Kitchener, 2009; Stroud, 2010). Zo ontstaan er homogene groepen die met elkaar gelijkenissen vertonen (Lazarsfeld & Merton, 1954). De computerwetenschappers Eric Gilbert en Karrie Karahalios (2009) hebben laten zien dat mensen die dezelfde politieke denkbeelden delen eerder met elkaar verbonden zijn op facebook: “Birds of a feather” (McPherson et al., 2001). De politicologen Brian (Himelboim, 2008; Himelboim, Gleave, & Smith, 2009).(Himelboim, 2008; Himelboim, Gleave, & Smith, 2009). Brian Gaines en Jeffery Mondak bevestigden dit voor mensen met ideologische denkbeelden (2009). Dit heeft gevolgen voor het nieuws en de informatie die je via twitter ontvangt en voor de gewoontes die men ontwikkelt. NRC-Journalist Jona Lendering noemt dit „informatieverzuiling“ en het logische gevolg is volgens hem getreiter. Daarom vluchten bekende Nederlanders meer en meer weg van Twitter. twitter-bird-mascot-clip-art-png-and-svg-pmtdga-clipart Dat komt omdat je op Twitter anoniem commentaar kunt geven. Columniste Tinneke Beeckman schrijft in De Standaard van 10 oktober 2016 over sociale media: “Sociale media zijn een val, omdat ze de indruk wekken een gemeenschap te vervangen. Maar sociale media geven slechts een netwerk. (..) Sociale media dienen dan vaak niet om je horizon te verbreden, maar om je eigen comfortzone te creëren.” Volgens redacteur Marc Hijink van NRC (27 september) is Twitter inderdaad niet de polsslag van de echte samenleving omdat Twitter meer en meer uit mediaprofessionals bestaat en daarom verhuizen de gewone gebruikers.

Wat geldt voor alle sociale media geldt ook voor Twitter, wanneer de meningen verschillen leidt de anonimiteit van de tweets nog al eens automatisch tot scheldpartijen en die dragen niet bij aan een openbaar publiek debat waarbij het belangrijk is dat iedereen zijn mening individueel kan uiten zonder uitgescholden te worden (Habermas, 1962). Voor de filosoof Habermas (1962), communicatiewetenschappers Gitlin (1998) en  Goode (2005) is de publieke sfeer waarin individuen publiekelijk samenkomen en debatteren over structuur en organisatie van de samenleving, belangrijk om weloverwogen tot een publieke opinie te komen. Daarbij zijn geëngageerde burgers die elkaar niet anoniem uitschelden maar naar elkaar luisteren en een democratische pers die het debat stuurt, essentieel. Twitter en het internet fragmenteren daartegen de publieke sfeer en de samenleving, het publieke discours wordt daarmee partijdig en alternatieve visies ontbreken.

Conclusie

Twitter is echt niet meer weg te denken als politiek en journalistiek instrument. Het heeft zoals boven beschreven zowel de politiek tijdens verkiezingen als de journalistiek ingrijpend beïnvloed. Mijn stelling is dat Twitter steeds meer de journalisten het monopolie ontneemt de kiezer het níeuws over politici te duiden. Kortom: journalisten nemen steeds vaker de mening van twitteraars over in hun analyse van politici (Hermida, 2012).

twitter-bird-megaphoneOp het eerste gezicht is de balans voor de democratische samenleving daarom negatief. Bij nader inzien kan de balans positiever uitvallen als de overheid bereid is zijn burgers indringend bewust te maken van de inherente bezwaren waarvoor Lendering, Beeckman, Habermas, Gitlin en Goode  waarschuwen. Een soortgelijke opdracht komt ook aan een democratische pers toe. Wat betreft het bewaken van het democratisch gehalte van Twitter en internet staan overheid en journalisten echter pas aan het begin. Tot nu toe hebben ze vooral de zegeningen geoogst, nu is het tijd burgers bewust te maken van de verantwoordelijkheden die het gebruik van Twitter en internet met zich meebrengt. Een democratische pers die haar waakhondfunctie vervult en voor zover nodig door de overheid gesteund wordt is de sleutel voor het welslagen van dit proces.

Literatuur

Aalten, T. van (2010), Crossmediale journalistiek, Boom, Den Haag.

Beckett, C. (2008), Super media: Saving journalism so it can save the world. Chichester; Blackwell.

Beeckman, T. (2016), Een netwerk is geen gemeenschap, De Standaard, 10 oktober 2016.

Broersma, M. & Graham, T. (2013), Twitter as a news source, Journalism Practice, Vol.7 (4), pp. 446-464.

Ceron, A., Curini, L., Iacus & S. M. (2014), Using sentiment analysis to monitor electoral campaigns: Method Maters – Evidence from the United States and Italy, Social science computer review, Vol.33(I), pp. 3-20.

Ceron, A., Curini, L. & Iacus, S.M. (2016), First- and second-level agenda setting in the Twittersphere. An application to the Italian political debate, http://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/19331681.2016.1160266.

Collins, T. (2011), Het kleine twitter handboek, Verba, Soest.

Gaines, B.J. & Mondak, J.J. (2009), Typing Together? Clustering of Ideological Types in Online Social Networks, Journal of Information Technology & Politics Vol.6 (3-4), pp.216-31.

Gilbert, E. & Karahalios, K. (2009),  “Predicting Tie Strength With Social Media.” In: Proceedings of the 27th International Conference on Human Factors in Computing Systems (CHI ´09), New York: ACM, pp. 211-20.

Gitlin, T. (1998), Public sphere or public sphericules, in: Liebes, T. en Curran, J. (Red.), Media, Ritual, Identity, Routledge, Abingdon, pp. 168-175.

Gloor P., Krauss J., Nann S., Fischbach K. & Schroder D., (2009), Web Science 2.0: Identifying Trends through Semantic Social Network Analysis. 2009 International Conference on Computational Science and Engineering, Aug. pp. 29-31, Vancouver, Canada.

Golbeck, J., Grimes, J.M. & Rogers, A. (2010), Twitter use by the U.S. Congress. J Am Soc Inform Sci Technol, Vol.61(8): pp. 1612-1621.

Goode, L.(2005), Jurgen Habermas: Democracy and the Public Sphere, Pluto, London.

Jarvis, J. (2006), Networked journalism, Buzzmachine, 5 juli. Geraadpleegd op 25 november 2016 via www.buzzmachine.com/2006/07/05/networked-journalism/.

Habermas, J. (1962), Strukturwandel der Öffentlichkeit, Suhrkamp, Frankfurt.

Heinrich, A. (2011), Networked journalism: Journalistic practice in interactive spheres, New York, Routledge.

Hermida, A. (2012), Social Journalism: Exploring How Social Media is, in: Siapera, E. & Veglis, A. (Red.), Shaping Journalism, The handbook of global online journalism, Wiley‐Blackwell, New York, pp. 309-328.

Hijink, M. (2016), Te koop: 9.000 tweets per seconde, NRC, 27 september 2016.

Himelboim, I. (2008), Reply distribution in online discussion: A comparative network analysis of political and health newsgroups. Journal of Computer-Mediated Communication, Vol.14(1), pp. 156-177.

Himelboim, I., Gleave, E., & Smith, M. (2009), Discussion catalysts in online political discussions: Content importers and conversation starters. Journal of Computer-Mediated Communication, Vol.14(4), pp. 771-789.

Jackson, N.A. & Lilleker, D.G. (2011), Microblogging, constituency service and impression management: UK MPs and the use of Twitter. J Legis Stud, Vol.17(1), pp. 86-105.

Jungherr, A. (2012b), Online campaigning in Germany: the CDU online campaign for the general election 2009 in Germany, Ger Polit Vol.21(3): pp. 317-340.

Jungherr, A. (2015), Analyzing Political Communication with Digital Trace Data, Contributions to Political Science, DOI 10.1007/978-3-319-20319-5_2

Kreiss, D. (2012), Taking our country back: the crafting of networked politics from Howard Dean to Barack Obama, Oxford University Press, Oxford.

Kreiss, D. (2014), Seizing the moment: the presidential campaigns`use of Twitter during the 2012 electoral cycle. New Media Soc. DOI 10.1177/1461444814562445.

Kushin, M., & Kitchener, K. (2009). Getting political on social network sites: Exploring online political discourse on Facebook. First Monday, 14(11), pp. 1-16.

Larsson, A. & Moe, H. (2012). Studying political microblogging. Twitter users in the 2010 Swedish election campaign, New Media & Society, Vol.14(5), pp. 729-747.

Lazarsfeld, P.F., Berelson, B. & Gaudet, H. (1944), The people’s choice: how the voter makes up his mind in a presidential campaign, Columbia University Press, p. 151ff.

Lazarsfeld, P.F., & Merton, R. (1954), Friendship as a social process: A substantive and methodological analysis, in: Morroe, B., Abel, T. & Page C. (Uitg.). Freedom and control in modern society, pp. 18-66. New York, NY: Van Nostrand.

Lendering, J. (2016), Twitter is een echokamer voor gelijkgestemden, NRC, 8 september 2016.

Liebes, T. & Curran, J. (Red.), Media, Ritual, Identity, Routledge, Abingdon,

McPherson, M, Smith-Lovin, L. & Cook, J. M. (2001), Birds of a feather: Homophily in social networks, Annual Review of Sociology, Vol.27, pp. 415-444.

McCombs, M. & Shaw, D. (1972), The agenda-setting function of mass media, Public Opinion Quarterly, Vol.36 (2), p. 176. doi:10.1086/267990.

Morroe, B., Abel, T. & Page C. (Uitg.), Freedom and control in modern society, New York, NY: Van Nostrand, pp. 18-66.

Neuberger, C., Hofe, J. vom & Nuernbergk, C. (2010), Twitter und Journalismus. Der Einfluss des „Social Web“ auf die Nachrichten, IFK Muenster, LFM, Düsseldorf.

Nielsen, R.K. (2012), Ground wars: personalized communication in political camapaigns. Princeton University Press, Princeton.

Opgenhaffen, M. & Belle, B. van (2012), Sociale media en journalistiek. Lannoo, Tielt.

Osch, D. van & Zijl, R. van (Red.) (2011), Basisboek social media, Boom, Den Haag.

Pleijter, A. (2011), Journalistiek en social media, in: Osch, D. van & Zijl, R. van (Red.) Basisboek social media, Boom, Den Haag.

Stroud, N.J. (2010), Polarization and partisan selective exposure. Journal of Communication, 60(3), pp. 556-576.

Sunstein, C.R. (2001), Republic.com. Princeton, NJ: Princeton, University Press.

Tumasjan, A., Sprenger, T., Sandner, P., Welpe, L. (2011), Election forecasts with twitter: how 140 characters reflect the political landscape, Social Science Computer Review, Vol.19, pp. 324-347.

Vergeer. M. & Hermans, L. (2013), Campaigning on Twitter: microblogging and online social networking as campaign tools in the general elections 2010 in the Netherlands, J. Comput-Mediat Commun, Vol.18(4), pp. 399-419. DOI 10.1111/jcc4.12023.

Vergeer, M. (2014), Peers and Sources as Social Capital in the Production of News: Online Social Networks as Communities of Journalists, Social Science Computer Review, Vol.33(3), pp. 277-297.

Xin; J., Gallagher, A. & Cao, L. (2010). The wisdom of social multimedia: Using flickr for prediction and forecast. ACM Multimedia 2010 International Conference, New York, NY.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Het digitale proletariaat, Hans Schnitzler, boekbespreking

digitale-proletariaatHoe komt het dat miljoenen mensen hun hele leven tot in detail op internet zetten? Die prangende vraag hield de Nederlandse filosoof Hans Schnitzler bezig toen hij het boek “Het digitale proletariaat” schreef. De moderne mens laat zich volgens Schnitzler door  internetkapitalisten instrumentaliseren en wordt door zijn totale overgave aan het internet tot een proletariër. Hij staat zijn persoonlijke data (al dan niet vrijwillig) af en is zich meestal niet bewust van de gevolgen. Zijn leefwereld wordt volledig gedigitaliseerd via allerlei technische snufjes en door het op de persoon toegespitst zoeken op het internet worden zijn wensen en verwachtingen gehomogeniseerd met als gevolg dat hij steeds meer om zichzelf gaat draaien, Schnitzler gebruikt de metafoor “internet als echoput”. Daardoor maakt het internet zijn wereld eerder kleiner dan groter, wat afwijkt hoort hij niet meer. Dit schept een illusie van controle want zijn hele leven ligt immers op straat. Het is voor instanties daardoor gemakkelijk om hem individueel aan te spreken op afwijkend gedrag of bij een nalatende gezondheid bijvoorbeeld. Zijn gedrag wordt namelijk als een persoonlijk falen gezien en niet langer als onderdeel van een maatschappelijk probleem. De moderne internetmens stelt zich daarmee bloot aan manipulatie van technologisch machtige bedrijven als Google en Facebook en raakt zijn zelfbeschikking kwijt. Schnitzler schetst een ontwikkeling van de industrialisering van het lichaam naar de industrialisering van de geest via het internet. Dit leidt tot een op data en algoritmen gebaseerde wereldorde waar een kleine elite van hoogbegaafde programmeurs en superondernemers de dienst uitmaken. Zij reduceren de mens louter tot een verkoopbare informatiedrager en niet als een product van zijn of haar sociaaleconomische omgeving. Zijn identiteit wordt verhandeld als koopwaar en dat leidt automatisch tot dehumanisering vanwege een intimiteitsoverschot. In het postprivacy-tijdperk wordt een teveel aan intimiteiten gedumpt en daarmee waardeloos. Schnitzler vergelijkt de nieuw ontstane wereldorde met een digitale libertarische heilsstaat vergelijkbaar als in The brave new world van Huxley. Huxley beschrijft een samenleving waarin mensen hun gevangenschap onder een alziend oog zelf als een soort bevrijding ervaren. Schnitzler gebruikt verder het voorbeeld van het panopticum van Jeremy Bentham waarin een gevangene altijd en overal bespied wordt, het staat hier symbool voor het digitale panopticum dat in het teken van connectiviteit staat. De rol van observant en geobserveerde is uitwisselbaar want iedereen kan door iedereen bekeken worden. Communicatie is de voorwaarde voor het in stand houden van de orde in deze aandachtseconomie. De destructie van de aandacht bedreigt volgens Schnitzler de gemeenschapszin en de sociale cohesie. Zijn oplossing is een opstand van de geest. De mens moet weer de regie over zijn data en zijn leven gaan voeren en zich niet langer als digitaal proletariaat door het nieuwe internetkapitalisme laten manipuleren.

Commentaar: Schnitzler staat terecht uiterst kritisch tegenover de nieuwe machtige internettechnologieën zoals Facebook en vraagt daarom de aandacht voor een reëel probleem van een dreigende digitale onderklasse die door een te veel aan transparantie van de intieme levenssfeer – banalisering van het intieme noemt Schnitzler dat – vervreemdt van zijn eigen menselijke waardigheid. Wat hij daaraan zo gevaarlijk vindt is dat mensen niet eens worden gedwongen te behoren tot een digitale onderklasse, ze kiezen er zelf voor om zoals Schnitzler het uitdrukt “de strijd om de geest te verliezen” zoals ook gebeurt in Brave New World van Aldous Huxley uit 1932. De eigentijdse proletariërs omhelzen hun eigen lijfeigenschap van de techniek. In een werkelijk efficiënte technostaat, aldus Schnitzler, ervaren de slaven van de techniek, de digitale proletariërs, hun ondergeschiktheid aan de techniek als een bevrijding. Schnitzler gebruikt ook de metafoor dat mensen zich laten reduceren tot batterijen voor de machine.”Het digitale proletariaat is” zoals Ad Verbrugge schrijft op de cover van het boek, “een verontrustend boek over het lot van de mens in een wereld waarin digitale techniek en het net diens bestaan fundamenteel veranderen. De mogelijke schaduwzijden weet Schnitzler op een onderlegde, intelligente, meeslepende en eloquente manier te verwoorden”. Het is een prestatie van formaat dat Schnitzler het aandurft te waarschuwen, niet dat er techniek is maar hoe de techniek is. Hij moet het opnemen tegen schrijvers die de technische zegeningen van onze tijd onophoudelijk loven en ook tegen allen die zich kritiekloos overleveren aan Facebook en andere internettechnologieën. Schnitzler is naar eigen zeggen niet tegen de techniek zoals de Luddieten, textielarbeiders die destijds weefgetouwen vernielden om hun protest tegen de technische vervreemding kracht bij te zetten. De waarde van Schnitzlers boek is dat hij het aan de kaak durft te stellen dat er in het internettijdperk een nieuw soort proletariërs ontstaat, mensen die zich zelf lijfeigenen maken van de techniek. Het gevaar is groot: de digitale proletariër is een mens van wie het hele bewustzijn – zijn aandacht, emoties en vriendschappen, zijn ideeën en fantasieën – tot koopwaar is gereduceerd. Ik bewonder dus de anamnese, de digitale ziektegeschiedenis van de eigentijdse proletariër. Die is per saldo geloofwaardig al bestaat het betoog van Schnitzler uit veel tautologieën gestapeld op de trefzekere metafoor van de digitale proletariër. De digitale revolutie brengt inderdaad een eigentijds proletariaat voort waarbij fabrieksarbeiders zijn vervangen door informatieverwerkers, grootindustriëlen door grootdatabezitters, machines door megaservers. De industrialisering van de arbeid heeft plaatsgemaakt voor de industrialisering van de geest, lichamelijke uitputting door geestelijke uitputting, en milieuvervuiling wordt verdrongen door mentale vervuiling. Is de anamnese aldus enigszins filosofisch maar geloofwaardig, zijn therapie is dat niet. Aan het eind van het boek heeft Schnitzler mij wel overtuigd van het gevaar van de heerlijke nieuwe wereld van het digitaal proletarisme. De vervreemding en de eenzaamheid van een wereld waarin persoonlijke contacten zijn vervangen door Facebook is evident. Ik zie wel dat er zwakke plekken zijn in zijn anamnese. Schnitzler verklaart dat niet alleen grote internetbedrijven maar ook de staat eraan meehelpt dat er een digitaal proletariaat ontstaat maar geeft daar geen nadere uitleg bij. Ook gaat hij niet in op de psychosociale oorzaken van internet proletarisch gedrag en dat is juist nodig voor het bewust worden van de internetexhibitionist. Mensen worden gedwongen zich aan te passen aan zeer dwingende technische formats die Schnitzler verder niet uitlegt in zijn boek.

Het verklaren van de oorzaken is van belang voor het vermijden van internet proletarisme, wat veel effectiever lijkt dan het vinden van de weg terug die door Schnitzler niet expliciet beschreven wordt.Het boek van Schnitzler houdt echter in feite op bij de anamnese, bij de beschrijving van het gevaar, juist dan wanneer het echt interessant wordt, wanneer de vraag naar therapie en preventie van digitaal proletarisme opdoemen en de vraag zich opdringt wat dan wel de manier is waarop digitaal proletarisme bestreden kan worden of beter nog: voorkomen. Schnitzler haast zich te zeggen dat hij niet tegen de digitale technologieën is –  hij is met andere woorden naar eigen zeggen geen neo-Luddiet – en dat het er niet om te doen is dat de techniek is maar hoe de techniek is. Aan het eind van zijn boek waar ik de therapie en de preventie van digitaal proletarisme had verwacht komt Schnitzler vast te zitten in zijn eigen metafoor van het het digitale proletariaat. In het oude proletariaat van Marx is er geen sprake van dat mensen zelf ervoor kiezen van zichzelf te vervreemden door de techniek en uitgebuit te worden, dat wordt hen immers aangedaan door de kapitalisten die steeds meer rijkdom willen accumuleren. Schnitzler betoogt dat het moderne proletarisme een zelfgekozen proletarisme is naar analogie van Brave New World van Aldous Huxley. In de metafoor van digitaal proletariaat zou de oplossing voor het door Schnitzler geschetste probleem naar analogie van Das Kapital, een vermaatschappelijking van de eigendom van de techniek zijn. Zo wordt de mens weer de baas over het techniekmonster. Dat gaat echter niet op in de internetwereld waar ieder zijn eigen medium, de pc en de smartphone, heeft en technologieën zoals Wikipedia en Facebook gemeenschappelijk bezit zijn of althans lijken, maar zo helder is het betoog van Schnitzler op dit cruciale punt niet. Zijn de digitale technologieën van iedereen of juist niet? Schnitzler had om oplossingen voor het door hem geschetste probleem aan te dragen, moeten kiezen tussen zijn metafoor van digitaal proletariaat enerzijds en het beeld van de vrijwillige slavernij à la Huxley anderzijds. Dat doet hij niet waardoor hij in zijn boek niet toekomt aan de belangrijkste vraag die de lezer zich stelt: als het digitale proletarisme een gevaarlijk spook is wat doen we er dan aan om het te verjagen?

Op dat punt in het betoog aangeland wordt Schnitzler daarom wel erg vaag en holt naar het voortijdig einde: hij heeft het over de technische lijfeigenen die zich langzaam beginnen te roeren en individueel in verzet komen tegen digitaal proletarisme. Dat kan het begin zijn van collectief verzet daartegen maar overtuigend is dit op twee gedachten hinken niet. Op dit punt had Schnitzler beter aan moeten sluiten bij het historisch materialisme van Karl Marx. Marx zou hebben gezegd dat de technologische onderbouw van de mens leidt tot de daaraan onderworpen geestelijke bovenbouw van gedachten en geestelijk lijfeigenschap. De oplossing volgens Marx was collectivisering en staatseigendom van de technologie. Zo kon volgens hem de technologie de mens dienen in plaats van andersom. Tot een dergelijke heldere therapie op preventie van mentale vervreemding geraakt Schnitzler niet. Hij wil onterecht niet erkennen dat elke vorm van overtrokken kapitalisme zoals de digitale revolutie noodzakelijk zijn eigen proletariaat schept. Tenzij er, in de zin van Max Weber en Habermas, een dienende overheid aanwezig is die regels opstelt tegen uitwassen en aanmoedigt dat consumenten gezamenlijk tegenmacht scheppen tegen de digitale kapitalisten. Schnitzler had duidelijker moeten zijn door te zeggen dat de hedendaagse mens geestelijk opgeslokt is door het spook van het kapitalisme en dat hij zich daarvan los moet maken door gemeenschappelijk optreden.

Schnitzler onderkent wel dat het digitale proletariaat zelf macht bezit wanneer het gezamenlijk opstaat tegen de internetkapitalisten en daarmee tegen de vervreemding in het eigen zijn. Mijn devies is duidelijk en Karl Marx wist het al in “Das Kapital”: Proletariërs aller landen, verenigt u!

Bentham, Jeremy (1995), The Panopticon Writings Ed. Miran Bozovic, London, Verso, p. 29-95.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Blog week 5

De bureaucratie maakt rijker dan groepsproducten op het internet
Marketeers kunnen niet meer om internet en de sociale media heen. Sociale media worden door consumenten zelfs als zeer betrouwbare informatiebron gezien (Foux, 2006). De overheid zou niet alleen via internet maar vooral via sociale media nog meer controle kunnen uitoefenen (Mangold and Faulds, 2009) en haar imago kunnen verbeteren (Liu and Horsley, 2007). Niet minder dan een revolutie van democratisering is wat een auteur als Benkler (2006) de werking van internet groepsproducten (peer production) toedicht. Kreiss, Finn en Turner vragen zich terecht af of het internet en zijn massale groepsproducten wel een revolutie van toegankelijkheid en democratisering teweeg brengt voor de burger (Kreiss et al. 2011). Zij baseren dit standpunt met een beroep op Weber (The Protestant Ethic and the Spirit of Capitalism and Economy and Society) die er al honderd jaar geleden op wees dat de industriële bureaucratie in veel opzichten goed zorgt voor democratisering, non discriminatoire regels, gelijke kansen en voor een scheiding tussen de private en de particuliere sfeer. Volgens hen is veel van de nieuwe online informatie van de overheid te eenzijdig in die zin dat zij een passieve in plaats van een actieve burger veronderstelt. De overheid heeft als instantie echter de mogelijkheid de burger beter te beschermen dan network peer production zoals bijvoorbeeld Wikipedia of boekbesprekingen voor Amazon.com. Die laatsten functioneren ook niet in het luchtledige maar juist bijvoorbeeld dankzij studenten van universiteiten, kortom van instituties van de oude industriële bureaucratie. De vraag is dus of de overheid de burger via het internet goed kan beschermen in plaats van via direct contact met de burger. Ik voel veel voor het standpunt van Kreiss et al. Een overheid die eenzijdig gaat communiceren en zich achter webproducten in de trant van peer production verschuilt dient de democratie niet maar tast deze aan. Dit ervoer ik onlangs zelf toen ik er na jaren achter kwam dat ik misschien toch recht zou hebben op zogenaamde zorgtoeslag. Blijkens Wikipedia is zorgtoeslag een inkomensafhankelijke toeslag, een persoonlijke tegemoetkoming van de Nederlandse overheid om de premie voor de zorgverzekering voor iedereen betaalbaar te houden. Wiki vervolgt: de zorgtoeslag is in 2006 ontwikkeld om de verzekerden met een laag inkomen te compenseren voor de zorgpremie. Ik kwam ook op het idee dat mijn kinderen van 19 en 22 wellicht ook recht zouden hebben op de zorgtoeslag. Mijn toeslagpartner boorde echter mijn hoop op in totaal € 4000 toeslag per jaar in de grond en stuurde mij links naar de website van de belastingdienst die de zorgtoeslag uitkeert en die links logen er niet om: mijn inkomen was volgens die website te hoog, de kinderen hebben helemaal geen zorgverzekeringen et cetera et cetera. Dus de boodschap van de website was: vergeet u het maar mevrouw. Maar mijn democratische ziel bleef kriebelen en toen heb ik toch maar gebeld naar de bureaucratische instelling van de belastingtelefoon en niet vertrouwd op het revolutionaire democratische heil van netwerken en goede online overheidscommunicatie. Na vijf minuten aan de telefoon in discussie met een behulpzame medewerker stond de zon ineens stil boven Gibeon: die €4000 aan zorgtoeslag daar bleken we in weerwil van de website ineens toch recht op te hebben. Zo telde buitenlands inkomen niet mee, werd nog hypotheekrente afgetrokken om het toetsinkomen te berekenen en hoefden de kinderen niet daadwerkelijk een eigen zorgverzekering te hebben. Geen woord over dat alles op de belastingwebsite en praktisch niets bij Wikipedia.
Ik bleef tot slot met liefst drie raadsels achter. Ten eerste hoe veel langer –over gelijke toegang gesproken – de laagbetaalden en laagopgeleiden er via de website over doen daadwerkelijk hun recht op zorgtoeslag te halen dan de hoger betaalden en hoogopgeleiden en ten tweede hoe mensen Wikipedia voor revolutionair kunnen houden als het mijn democratische rechten met kritiekloos gekopieerde overheidsteksten onder narcose brengt en ten derde hoe ik zo stom kon zijn zo lang en ten koste van € 30000 gemiste toeslag een misplaatst vertrouwen te hebben in de democratische kwaliteit van peer production. Weg met te veel vertrouwen in de democratiserende kracht van networks, leve de bureaucratie!
In de betekenis van Kreiss et al. (2011) maken ook de traditionele media deel uit van de industriële bureaucratie. Volgens mijn eigen verkiezingsonderzoek blijven politici in Nederland en Duitsland ondanks verschillend maar toenemend gebruik van peer information products toch steeds circa driekwart van hun informatie halen uit traditionele media, respectievelijk 181 en 126 minuten per dag. Volgens Kreiss et al. (2011) zou de democratie hiermee wel eens meer gediend kunnen zijn dan met de 56 respectievelijk 42 minuten consumptie van network peer products per dag door genoemde politici. Achter de peer products gaan in de visie van Kreiss et al. gevestigde of zelfs commerciële belangen schuil.

Literatuur

Benkler Y. (2006). “The Wealth of Networks: How Production Networks Transform Markets and Freedom”. New Haven, CT: Yale University Press.

Foux, G. (2006, May 8). Consumer-generated media: Get your customers involved. Brand Strategy, 38-39.

Kersten, M. (2014). “Politieke cultuurverschillen in mediagebruik tussen Nederlandse en Duitse parlementsleden tijdens de verkiezingen van 2010”. Niet gepubliceerd.

Kreiss, D., Finn, M. & Turner, F. (2011). The limits of peer production: Some reminders from Max Weber for the network society. New Media Society 13: 243

Liu B.F., Horsley, J.S. (2007). The government communication decision wheel: toward a public relations model for the public sector. Journal of Public Relations Research 19(4):
377–393.

Mangold, W.G., Faulds, D.J. (2009). Social media: The new hybrid element of the promotion mix. Business horizons 52.4: 357-365.
http://www.academia.edu/1913968/Social_media_The_new_hybrid_element_of_the_promotion_mix

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen