Blog week 4

Meer internettoegang door vrouwen.

Volgens Gunther Eysenbach (2008) worden mensen steeds mondiger doordat zij zelf aan medische informatie komen via een apomediair bv. een webportaal en daarbij minder afhankelijk zijn van een intermediair die als een soort gatekeeper informatie voorselecteert.
Maar lang niet alle mensen gaan zo te werk om aan medische informatie te komen. De traditionele verklaring hiervoor is dat sociale uitsluiting leidt tot een zogenaamde social digital divide (Norris, 2001). Internet toegang is voor de ‘haves’; werklozen, laaggeschoolden, armen, etnische minderheden, immigranten, vluchtelingen, vrouwen en ouderen hebben deze in veel mindere mate. Wyatt, Henwood, Hart en Smith (2005) stellen dat de traditionele verklaring te eenvoudig is. Uit hun onderzoek naar het verwerven van specifieke medische informatie komt naar voren dat vaak ook ‘haves’, mensen die toegang kunnen hebben tot het internet, het internet daarvoor toch niet gebruiken: ze willen niet of ze kunnen niet bijvoorbeeld doordat hun eigen pc steeds door anderen gebruikt wordt of omdat hun de vereiste kennis ontbreekt.
Meer in het algemeen bestaat de groep van de niet-gebruikers uit: de internetafwijzers, de internetverwerpers, de internetbuitengeslotenen en de internetbannelingen (Wyatt et al, 2002). Uit het eerder genoemde onderzoek waarbij ook gender- en generatieaspecten een rol spelen blijkt verder dat vrouwen en ouderen vaak gebruik maken van een intermediair, de zogenaamde warm expert, bij het verzamelen van voor hen relevante medische informatie. Deze warm expert (Bakardjieva, 2001) is een intermediair voor de speciale kennis en vaardigheden die nodig zijn om een benodigde technologie te gebruiken en voor de specifieke situatie en wensen van de onwennige gebruiker waarmee de warm expert een meer persoonlijke relatie onderhoudt. Wyatt, Henwood, Hart en Smith bekeken of warm experts belangrijk zijn bij het helpen van de gebruikers tot het toegang krijgen tot het internet en waarom de gebruikers deze experts precies inschakelen. Warm experts faciliteerden inderdaad internettoegang en zij bleken tevens belangrijke intermediators van technische kennis, zoekmachines en databases. Ook boden zij hulp bij het sorteren van de complexe medische kennis die online beschikbaar is.
Uit mijn eigen onderzoek naar internetgebruik bij Duitse en Nederlandse politici komt naar voren dat vrouwelijk politici om zich over politiek te informeren veel intensiever gebruik maken van het internet dan mannelijke, namelijk gemiddeld bijna 50 minuten per dag tegen ruim 37 minuten voor mannen. Met de eerder aangehaalde traditionele verklaring voor de digital divide is dit feit moeilijk te rijmen. Een mogelijke verklaring zou het optreden van de warm expert kunnen zijn die Wyatt et al. (2005) ten tonele voeren.
Daarvoor pleit een ander resultaat uit mijn onderzoek namelijk dat vrouwelijk politici relatief vaker dan mannen gebruik maken van een website die hun partij voor hen ontwerpt en waarbij een medewerker van de partij als een warm expert helpt de technologie te beheersen. Mannen kiezen relatief vaker dan vrouwen voor een website die ze zelf ontwerpen. Hieruit resulteert dat relatief meer vrouwelijke politici dan mannelijke een website hebben.
Dit bevestigt de centrale conclusie van Wyatt et al. (2005) dat internettoegang naast een kwestie van hebben ook en misschien vooral een kwestie is van toegang willen en van hulp daarbij krijgen.
Literatuur
Bakardjieva, M. (2001). “Becoming a Domestic Internet User”, paper presented at the
Proceedings of the Third International Conference on Uses and Services in
Telecommunications, Paris, 12–14 June.

Eysenbach, Gunther (2008). “Medicine 2.0: social networking, collaboration, participation, apomediation, and openness.” Journal of Medical Internet Research 10(3).
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC2626430/?report=printable

Kersten, M. (2014). Politieke cultuurverschillen tussen Nederlandse en Duitse parlementsleden tijdens de verkiezingen van 2010. Niet gepubliceerd.

Norris, P. (2001). “Digital divide”. Cambridge: Cambridge University Press.

Wyatt, S., G. Thomas and T. Terranova (2002). “They Came, They Surfed, They Went
Back to the Beach, Conceptualising Use and Non-use of the Internet”, in S. Woolgar
(ed.) Virtual Society?, pp. 23–40. Oxford: Oxford University Press.

Wyatt, S., F. Henwood, A. Hart and J. Smith (2005). “The digital divide, health information and everyday life”. New media & society. 7 (2), pp. 199-218.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Blog week 3

Online media en burgerjournalistiek voegen diversiteit toe aan de nieuwsvoorziening aan politici.

Online burgerjournalistiek voegt volgens het empirische onderzoek van communicatiewetenschapper Serena Carpenter (Carpenter 2010) naar de inhoud van online burgerjournalistiek en online kranten, diversiteit toe aan de informatie die de burger van de markt ontvangt. Carpenters aanname is dat consolidatie of concentratie van een bepaald nieuwsmedium, bijvoorbeeld door fusies en overnames, als bedreiging kan worden gezien voor de diversiteit van de content van nieuwsartikelen. Vervolgens onderzoekt ze burgerjournalistiek en online media en concludeert dat deze media volgens door haar geformuleerde maatstaven divers zijn. Methodologisch lijkt het niet correct tegelijk de tegengestelden burgerjournalistiek en online media samen te onderzoeken. Online media staan immers meestal onder dezelfde commerciële dwang en lopen daardoor eerder kans minder divers te zijn, wat niet of in mindere mate geldt voor de burgerjournalistiek. Interessanter en relevanter voor het effect van burgerjournalistiek en online media op de diversiteit van het nieuws op de markt is volgens mij de vraag of er nog voldoende andere media overblijven zodat langs die weg de diversiteit gewaarborgd wordt. In dat opzicht is mijn onderzoek hoe politici in Nederland en Duitsland hun nieuws vergaren veelzeggend.
Zowel Duitse als Nederlandse politici halen een belangrijk deel van het nieuws uit online media. In beide landen zijn de online media goed voor een kwart van de minuten die politici per week gebruiken om zich te informeren. Nederlandse politici nemen aanzienlijk meer informatie of nieuws per week tot zich namelijk 206 minuten tegen Duitse politici 162 minuten. Hieruit blijkt dat een groter gebruik van online nieuws onder politici niet leidt tot een relatief kleiner gebruik van traditionele media en dus niet tot beperking van de diversiteit van media die het nieuws brengen dat politici tot zich nemen. Met andere woorden: voor de deelpopulatie politici uit de populatie van burgers in Duitsland en Nederland geldt dat online media de diversiteit aan informatie niet aantasten maar juist vergroten. Hoe meer politici online media gebruiken, hoe meer traditionele media ze gaan gebruiken. Dit bevestigt, weliswaar met een andere methode, de voornaamste uitkomst van het onderzoek van Carpenter voor de USA dat online media en burgerjournalistiek diversiteit toevoegen aan de nieuwsvoorziening. De traditionele media echter waarborgen vooral de diepte van de nieuwsanalyse (Deuze 2005).
Carpenter, S. (2010). A study of content diversity in online citizen journalism and online newspaper articles. New media & society, 12(7), pp. 1064–1084.
Deuze, M. (2005). What is journalism? Professional identity and ideology of journalists reconsidered. Journalism, 6(4), pp. 442-464.
Kersten, M. (2014). Politieke cultuurverschillen tussen Nederlandse en Duitse parlementsleden tijdens de verkiezingen van 2010. Niet gepubliceerd.

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Blog week 2 Nieuwe media & samenleving

Twittergebruik onder Duitse en Nederlandse politici

Social media zoals twitter bieden Duitse en Nederlandse politici grote en goedkope mogelijkheden om een positief beeld van zich zelf te scheppen, om in dialoog te gaan met een groter publiek en te verwijzen naar informatie die de kiezer moet overtuigen van het gelijk van de politicus of diens blijk van het volgen van belangrijke gebeurtenissen. Zij kunnen zelf beslissen wat zij van zichzelf en welke informatie zij belangrijk vinden, delen. Ze kunnen op die manier een virtuele gemeenschap vormen met een – liefst goedwillende en goedkeurende – achterban, potentiële kiezers en met journalisten van de traditionele of oude media – krant, televisie, radio etc.-  (vgl. Shao, 2009). Politici zullen twitter dus vooral  gebruiken vanwege de verwachte positieve voordelen en terug moeten slaan indien gezichtverlies dreigt (vgl. LaRose & Eastin, 2004).

Nederlandse politici gebruiken twitter meer (56 % bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2010) dan politici in Nordrheinwestfalen (26 % bij de landtagsverkiezingen in 2010). Ook de Britse politici gebruiken twitter maar half zoveel als de Nederlandse (Graham, Jackson & Broersma, 2014). In het licht van de boven vermelde literatuur is een dergelijk groot verschil in het gebruik van twitter moeilijk verklaarbaar. De politici verwachten immers in elk van de genoemde landen dezelfde voordelen en hebben dezelfde kans op gezichtsverlies.

Langs de weg van politieke cultuurverschillen, in het artikel van Graham, Jackson en Broersma aangeduid als ´old habits’, zal ik proberen tot een verklaring van het gebruik van twitter door politici in Duitsland en Nederland te komen. De politieke culturen in Nederland en Duitsland verschillen van elkaar, waarin ook de onderscheiden kiesstelsels en financiële middelen van de politici zijn begrepen.

Partijen en kandidaten in Duitsland hebben een hoger te besteden budget en zijn daarom minder afhankelijk van het goedkope internet om zichzelf te kunnen profileren. In Nederland kennen we het systeem van evenredige vertegenwoordiging i.t.t. Duitsland, dat een verkapt districtenstelsel heeft waarbij de banden tussen kandidaten en politici enger zijn dan in Nederland. De Duitse kandidaten kunnen zich een dure website permitteren en besteden meer geld aan het organiseren van dure evenementen met hun achterban. Daardoor komen zij vervolgens vanzelf in de traditionele media terecht. De Nederlandse kandidaten focussen zich vooral rechtstreeks op de media om aandacht te generen (Graham, Jackson, Broersma, 2014). Twitter kan door politici ook gebruikt worden om bijvoorbeeld de tegenkandidaat negatief af te schilderen. Dit laatste zullen zij via twitter minder snel doen, omdat zij bang zijn dat de tegenkandidaat hen vervolgens ook negatief zal afschilderen. Omdat er dan geen sprake is van een debat waarbij partijen om de inhoud debatteren zoals in het parlement waarbij niemand van buitenaf zich kan mengen, kan dat bij twitter wel het geval zijn en voordat de kandidaat er erg in heeft is er al een grote rel ontstaan. Nederland kent een politieke cultuur waarbij consensus een grote rol speelt en waarbij negative campaigning negatief uitpakt bij het vormen van coalities. Duitsland kent een concordance democratie waarbij de meningsverschillen luid en duidelijk in het debat naar voren komen en de partijen lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan. Er is altijd een verliezer en een winnaar. Nederlandse politici gebruiken social media daarom vooral om een virtuele gemeenschap te creëren door zichzelf te profileren, Duitse politici zijn terughoudender met twitter omdat zij andere mogelijkheden hebben door een ruimer budget. Politieke cultuurverschillen tussen Duitsland en Nederland vormen zo een hoofdoorzaak ter verklaring van de verschillen in het gebruik van twitter.

Graham, T. & Jackson, D. & Broersma, M. (2014). New platform, old habits? Candidates’ use of Twitter during the 2010 British and Dutch general election campaigns. New media & society, august 2014  http://nms.sagepub.com/content/early/2014/08/12/1461444814546728

LaRose, R. & Eastin, M.S. (2004). A Social Cognitive Theory of Internet Uses and Gratifications: Toward a New Model of Media Attendance. Journal of Broadcasting & Electronic Media 48(3), 358-377.

Shao, G.: Understanding the appeal of user-generated media: a uses and gratification perspective. Internet Research 19 (1), 7-25.

Empirisch Scriptie-onderzoek: Politieke cultuurverschillen tussen Nederlandse en Duitse parlementsleden tijdens de verkiezingen van 2010.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Blog week 1

Radbouduniversiteit Nijmegen
Collegejaar 2014-2015
Master Nederland-Duitslandstudies
Nieuwe media en samenleving
Docente: Dr. J. Sanders
Student: Mirjam Kersten 8772142

Uitgezocht artikel uit: New Media & Society, maart 2012, 14: 244.
Politics as usual? Revolution, normalization and a new agenda for online deliberation,
Scott Wright

Een belangrijk thema in het politieke discours is volgens Wright in hoeverre nieuwe media politieke deelname kan beïnvloeden. De cyberoptimisten Corrado and Firestone (1996: 17) zien in nieuwe media de mogelijkheid om op een meer zorgvuldige wijze te kunnen communiceren over politiek en gebruiken daarvoor het woord revolutie (revolutie theorie). Daartegenover staan de cyberrealisten Margolis and Resnick (2000), die de nieuwe media slechts als een technisch middel van politieke communicatie zien en niet als een instrument om het politieke debat democratischer te maken (normalisatie theorie). Aan beide scholen ligt kennelijk een andere opvatting ten grondslag over wat een representatieve democratie inhoudt. Deze twee denkscholen framen en bepalen volgens Wright het onderzoek met betrekking tot politieke online-communicatie op negatieve wijze en deze discussie heeft niet geresulteerd in genuanceerd onderzoek. Vervolgens doet hij voorstellen hoe dit wel zou kunnen.
Mijns inziens moet er zoals Wright suggereert meer genuanceerd onderzocht worden wat voor werkingen online media hebben op het gedrag van politici en kiezers. Voor mijn studie Nederland-Duitslandstudies doe ik onderzoek naar verschillen en overeenkomsten tussen Duitsland en Nederland op o.a. communicatief gebied. Wat opvalt is dat er in de Nederlandse media minder dan in de Duitse media gereflecteerd wordt over de betekenis van nieuwe media op het gedrag van de gebruikers en over de gevolgen van het vrijgeven of vrijkomen van persoonlijke informatie via online media en telefoondiensten. Nadat bekend werd dat zelfs het telefoontje van Bundeskanzler Merkel door de Amerikaanse inlichtingendienst NSA werd gecontroleerd, stak er een storm van protest op in de media in Duitsland. In Nederland bleef die discussie over het lekken van gegevens naar de NSA beperkt. Duitse politici zijn over het algemeen terughoudender met het gebruik van social media. Bij het gebruik van eigen websites om met de kiezer te communiceren lopen de Duitsers echter ver voorop en investeren veel grotere budgetten daarin dan in Nederland. Terughoudender internetgebruik voor wat betreft social media in Duitsland betekent dus niet dat het internet in Duitsland minder voor een revolutie zorgt. Het wil zeggen dat vanuit een andere visie op de gewenste invloed van het internet op de kiezer als mens, vanuit een lagere online preferentie in Duitsland dan in Nederland, voor andere vormen van politieke internetcommunicatie wordt gekozen. Duitse politici en Nederlandse politici houden de invloed van het internet op het kiezersgedrag voor even belangrijk. Dit bevestigt de these van Wright voor het omgaan met het internet door Duitse en Nederlandse politici, namelijk dat om verschillende redenen een constructieve synthese van de revolutie theorie en de normalisatie theorie mogelijk en zelfs wenselijk is. De onderscheiden frames van de revolutieschool en van de normalisatieschool richten zich op onderscheiden vormen van politieke internetcommunicatie en onderscheiden betekenissen van wat een revolutie is en argumenteren daardoor langs elkaar heen. Alleen in een synthese van de scholen komt goed aan bod waarom het echt gaat: de invloed van het internet op het gedrag van de kiezer. Ook al is de Nederlandse politicus in verkiezingstijd bijna dagelijks zevenmaal zo lang online als de Duitse, de impact op het kiesgedrag lijkt hetzelfde. Dat neemt niet weg dat zich in beide landen wel een, zoals Wright het aanduidt, stille internetrevolutie in een normaliserende omgeving plaatsvindt.
http://nms.sagepub.com.proxy.ubn.ru.nl/content/14/2/244.full.pdf+html
http://www.rp-online.de/politik/deutschland/deutsche-politiker-haben-bei-social-media-noch-nachholbedarf-aid-1.4478406
http://www.zeit.de/politik/ausland/2013-10/merkel-handy-ueberwachung
scriptie-onderzoek

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen