De Oranje Revolutie 2004 en Euromaidan 2013/2014

“New information technologies threaten sovereigns that depend on maximum political, economic, and cultural control over their peoples […] no longer can totalitarian regimes ensure themselves a safe environment by controlling the newspapers, radio and television stations because the World Wide Web remains beyond their control and manipulation” (Perrit, 1998: p. 431).

In deze blog zal ik kort de Oranjerevolutie en uitvoerig de Euromaidanrevolutie beschrijven en de rol daarbij van het internet en de sociale media. De vraag die hierbij van belang is, is of het internet via usergenerated content meer democratie voortbrengt. Kleine politieke spelers of burgers kunnen nu immers de traditionele media omzeilen en worden gehoord, ze kunnen de achterban beter bereiken en hun activiteiten strakker organiseren en er zijn meer mogelijkheden voor debat. Wanneer er meer mensen via sociale media gaan participeren en politiek bewuster worden creëert dit een groter potentieel sociaal kapitaal en een goed functionerende civil society. Met sociaal kapitaal wordt gedoeld op het samenbinden van  mensen via ondersteunende netwerken (Putnam, 2000). Deze opvatting gaat uit van een utopische visie op het internet waarbij het internet vrij is van gatekeepers en een publieke cyberruimte ontstaat voor nieuwe sociale en politieke bewegingen als forum voor het volk (Abbot, 2001, p. 99), die de kans op collectieve actie en politieke mobilisatie doet toenemen (Gamson et al., 1982, p. 15).

Vooral sociale media geven zowel politici als gemarginaliseerde groepen die minder vaak in de massamedia verschijnen een middel om sociaal kapitaal bij elkaar te brengen (Bennett, 2012; Castells, 2009; Loader & Mercea, 2011; Stiegler, 2008) om zo in een publieke voor iedereen toegankelijke sfeer te participeren in de democratie (Hague & Loader, 1999). Via sociale media kunnen politici en andere groepen hun ideeën onmiddellijk en snel via een groot netwerk doorgeven, de achterban activeren (Leung & Lee, 2014; Palczewski, 2001; Warner, 2002) en het sociale kapitaal van individuen verbeteren (Ellison, Gray, Lampe, & Fiore, 2014; Putnam, 2000).

Russia Battle For Ukraine

                          Oranje Revolutie 2004 (© picture-alliance/AP)

Ten tijde van de Oranje revolutie en de nog te bespreken Euromaidanrevolutie wisten enkele burgerjournalisten de bestaande media te omzeilen en de dominerende staatspropaganda te ondermijnen onder het motto: “factual truth is the bedrock of a free politics” (Goldfarb, 2006, p. 18; Barabási, 2003). Via het internet en de dynamische groei van sociale netwerken wisten burgerjournalisten een alternatieve sociale protestbeweging op te zetten die tegen de regering in opstand kwam (Faris, 2010; Lohmann, 1994, p. 343).

Sociale media waren in staat de democratie te vergroten omdat zij hielpen de publieke sfeer te verruimen (Benkler, 2006; Habermas, 1966; Jenkins, 2006; Leadbeater, 2008). Een grotere publieke sfeer kon in dit geval bijdragen aan het vervangen van hiërarchische instituties en het veranderen van bestaande verhoudingen (Castells, 1996) maar de werking van sociale media moet ook weer niet overschat worden volgens de politicologen Jody Baumgartner en Jonathan Morris (Baumgartner & Morris, 2009). Mensen die politiek actief zijn, zijn ook meestal online actief en dat betekent dat er de facto niet meer mensen politiek actief worden louter en alleen door het internet (Bakker & de Vreese, 2011). Er moet al een actieve sociale offline beweging zijn tegen bijvoorbeeld politieke mistoestanden, wil het internet politiek echt helpen veranderen (Mackinnon, 2008, p. 34).

Tegenover de opvatting dat het internet een democratische revolutie kan veroorzaken en meer mensen inspraak kan geven  – de zogenaamde revolutiethese – staat de opvatting dat het internet geen blijvende veranderingen in de machtsverhoudingen en de democratie teweeg brengt. Dit wordt de normaliseringsthese genoemd (Margolis & Resnick, 2000) en die zegt dat machthebbers meer middelen hebben om zich van de nieuwe technologie te bedienen en dat ook zullen doen. Aan de hand van een nadere beschouwing van de Oranjerevolutie en de Euromaydanrevolutie probeer ik te onderzoeken of er bij deze revoluties eerder sprake is van de revolutiethese of van de normaliseringsthese van het internet.

Oranjerevolutie 2004

Tijdens de Oranjerevolutie wordt de bevolking aangezet tot demonstraties, stakingen en bezettingen vanwege vermeende fraude bij de presidentsverkiezingen tussen Viktor Joesjtsjenko en Viktor Janoekovytsj. Deze laatste behaalt in de tweede ronde een nipte overwinning. De kandidaat van de oppositie Joesjtsjenko roept de bevolking op zich niet bij de verkiezingsuitslag neer te leggen. Internet en moderne communicatiemiddelen zijn nog niet zo wijd verbreid als tijdens de Euromaidanrevolutie tien jaar later. Toch weten actievoerders de bevolking te mobiliseren via het internet. Op de televisiestations, die in handen zijn van de regering,  kunnen de actievoerders niet rekenen, maar via het internet weet de oppositie video’s en informatie te publiceren die door de media over de hele wereld worden verspreid (Wilson, 2005, pp. 130-133).

Grote groepen demonstranten van buiten Kiew reizen naar de hoofdstad en organiseren zich door middel van verkregen informatie op internet en via mobiele telefoons (Goldstein, 2014) middels het Two-Step-Flow-mechanisme (Katz & Lazarsfeld, 1955). Dit wil zeggen dat bekende pleitbezorgers van de democratie met een groot internetnetwerk het idee van een democratische revolutie efficiënter en sneller kunnen verspreiden (Goldstein, 2007, p. 9).

De Oranjerevolutie verloopt vreedzaam en zonder bloedvergieten, bij de Euromaidanrevolutie daartegenover zal de staat gewelddadig tegen de betogers optreden. De demonstrant van de Oranjerevolutie weerspiegelt een doorsnee deel van de bevolking, hij wil een machtswisseling en geen systeemverandering zoals de wat oudere en meer dan gemiddeld ontwikkelde demonstrant ten tijde van de Euromaidanrevolutie eist (Banakh, 2014). De deelnemers aan de Oranjerevolutie zijn in tegenstelling tot de betogers van de Euromaidanrevolutie sterk politiek geëngageerd.

orange-revolutions-2

                                    Oranje Revolutie 2004 (© Symphony of the Nations)

Euromaidan Revolutie 2013-2014

De Euromaidan- of Maidanrevolutie, ook wel de Revolutie van de Waardigheid, is de naam die gegeven is aan de opstand in de Oekraïne die op 21 november 2013 ontstaat tegen de regering van de van corruptie verdachte president Viktor Janoekovytsj. De term „Euromaidan“ wordt aanvankelijk als hashtag van de protesten op Twitter gebruikt en verbindt het woord Europa met het woord Maidanplein in Kiew waar de protesten zich afspelen. Twitter is een tool die veel gebruikt wordt bij protesten wanneer er weinig locale nieuwsmedia aanwezig zijn zoals tijdens de Euromaidan (Steinert-Threlkeld et al., 2015). De term en de protesten verspreiden zich snel via de internationale media.

Na de val van het Sovjetimperium had Oekraïne jarenlang met corruptie, deflatie, geringe economische groei en achterblijvende investeringen te maken. Een deel van de bevolking is de slechte economische situatie eind 2013 beu en eist het aftreden van president Janoekovytsj en de regering van Minister-president Asarow. Rusland zet Oekraïne via handelssancties onder druk  en als de regering vervolgens kiest voor de financiële steun van Rusland, ondertekent Janoekovytsj het Associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne niet, wat veel kwaad bloed zet bij de oppositie. Deze dient een motie van wantrouwen in tegen de regering die bestaat uit een coalitie van de Partij van de Regio’s en de Communistische Partij, samen hebben zij een meerderheid waardoor de motie niet wordt aangenomen.

De journalist Mustafa Najem doet dan een dringende oproep via Facebook aan zijn volgers om op 21 november om 22.30 uur naar het Maidanplein te gaan om vreedzaam tegen het niet-ondertekenen van het Associatieverdrag met de Europese Gemeenschap te demonstreren (Kotsyuba, 2013; Leshchenko, 2014, pp. 52-57; Open Society Foundation, 2014). De demonstranten communiceren onderling via Facebook en in mindere mate via Twitter en hun aantal groeit snel (BBC, 4.12.2013).

De nieuw opgerichte televisiezenders Hromadske TV en Espreso TV identificeren zich sterk met de demonstranten en verslaan de protesten via het internet. Het betreft enkele burgerinitiatieven van Oekraïense journalisten die via internet en sociale media objectieve informatie willen brengen. Espreso TV wordt volgens het linkse dagblad de Junge Welt gefinancierd door het buitenland (Junge Welt, 2014). Op het Maidanplein ontstaat een permanent tentenkamp en tot 18 februari verlopen de protesten tamelijk rustig.

Wanneer Janoekovytsj een anti-demonstratiewet invoert en daarmee het recht op vrije meningsuiting en het recht op vereniging en vergadering inperkt, is het hek van de dam. De regering komt met een antiterrorismeplan en pakt vreedzame betogers op zonder enige vorm van proces. Minstens 20.000 betogers begeven zich daarna op weg naar het Oekraïense parlement en bezetten verschillende regionale parlementen. De politie treedt daarop zeer gewelddadig tegen hen op en probeert het Maidanplein te ontruimen. Het private televisiestation TV kanaal 5 moet stoppen met uitzenden maar blijft via een satellietverbinding op Youtube te zien. De zender geeft live beelden weer van het Maidanplein, de staatsradio en -televisie worden door de demonstranten bezet.

Er staat in binnen- en buitenland veel ophef wanneer Radio Liberty (online) videomateriaal bekend maakt waarop te zien is hoe speciale politie-eenheden demonstranten neerschieten met Kalasnikovs (machinegeweren) en sluipschuttersgeweren. Er sterven alleen al op 18 februari 2014 zeker 25 mensen en op 19 februari 2014 wordt de noodtoestand uitgeroepen. Scholen worden gesloten en al het vervoer wordt stilgelegd. Na 3 dagen vechten zijn er ruim 100 doden te betreuren. Uit het hele land komen demonstranten, dit aantal neemt alleen maar toe naarmate het geweld van de zijde van de regering voortduurt.

Drie Ministers van Buitenlandse Zaken en EU-diplomaten gaan naar de Oekraïne om te bemiddelen en op 21 februari wordt er een akkoord bereikt. De president wil nieuwe verkiezingen uitschrijven maar de betogers nemen er geen genoegen mee en bezetten het parlement. Op 22 februari nemen de tegenstanders van  Janoekovytsj de macht in Kiew over en de president vlucht. Oppositieleidster Yulia Tymoshenko wordt uit de gevangenis vrijgelaten en spreekt de bevolking toe op het Maidanplein. Er komt een tijdelijke regering en er worden nieuwe verkiezingen aangekondigd.

Oekraïne sluit een verdrag met de EU en belooft het rechtssysteem, het politieke stelsel en de economie hervormen. 1 maart gaan duizenden de straat op in diverse steden omdat ze niet achter de nieuwe regering staan. Er ontstaat een roep om afscheiding op het Krimeiland en Rusland bezet de Krim. Er breekt vervolgens een burgeroorlog uit in het oosten van Oekraïne tussen prowesterse groepen en pro-Russische groepen.

maidan

 Een gewonde man wordt weggedragen door anti-regeringsdemonstranten (© Reuters / Yannis Behrakis)

De inzet van internet en sociale media tijdens de Euromaidanrevolutie

Tijdens de Oranjerevolutie werden de protesten via het internet en mobiele telefoons gecoördineerd. Tijdens de Euromaidanrevolutie organiseren zich hele netwerken via de sociale media (Steinert-Threlkeld et al., 2015). Mensen die anders niet met elkaar in aanraking zouden zijn gekomen, doen dat nu wel via zogenaamde weak ties (Granovetter, 1973, pp. 1360-1380), dat zijn contacten die je niet zo goed kent. De meeste inwoners van Oekraïne kregen hun informatie voorheen louter via de Russische televisie of de Oekraïense televisie die in handen is van pro-Russische oligarchen.

De printmedia hebben in Oekraïne nauwelijks een poot aan de grond gekregen (Leshchenko 2014, p. 53). Internetmedia hadden al voor de Oranjerevolutie miljoenen bezoekers en tijdens de Euromaidanrevolutie nemen de internetsites en de sociale media alleen maar toe als alternatieve nieuwsbronnen (Leshchenko 2014, p. 55). Te noemen zijn UA Stream TV, Facebook (Euromaidan, Hromadski Sector en Automaidan) en de live-stream servicedienst Ustream (Leshchenko 2014, p. 55). De meest populaire website was VKontakte, het Russische Facebook (Leshchenko 2014, p. 55). 200 bedrijven die trouw blijven aan de regering worden geboycot via duizenden volgers van Facebook.

Via Facebook worden buurtwachten georganiseerd die uitkijk houden naar knokploegen en er wordt een eigen autovervoerssysteem opgezet, omdat alle verkeer door de regering geblokkeerd is. Deelnemende activisten van buiten Kiew vinden via Facebook onderdak en advocaten roepen via Facebook Euromaidan SOS in het leven waarmee de gearresteerde activisten rechtsbijstand en financiële ondersteuning ontvangen. Via internet komen er vele donaties binnen om het kamp te voorzien van levensmiddelen, tenten etc. Gaarkeukens worden door honderden vrijwilligers bemand om de activisten van voedsel te voorzien en ook dat wordt georganiseerd via de sociale media.

Artsen en medische studenten bekommeren zich om zieken en gewonden en organiseren zich via sociale media, wetenschappers zetten een open universiteit op via het internet. De video “Ik ben een Oekraïense”, met de getuigenis van Julia Maruschewska op het Maidanplein wordt 7,5 miljoen keer bekeken. Beelden van gehandicapte activisten met borden “Schieten jullie ons ook dood” worden wereldwijd gedeeld.

Het internet wordt tijdens de twee revoluties dus vooral gebruikt om aanhangers te mobiliseren en om de opstanden goed te organiseren. De politicoloog Robert Putnam zou deze revoluties zien als een gevolg van door het internet gestimuleerde networks…that facilitate co-ordination and co-operation for mutual benefit (Putnam, geciteerd in Chadwick 2006, p. 87), dat wil zeggen dat sociaal kapitaal via sociale media geactiveerd en gestimuleerd wordt.

Meer democratie door een grotere publieke sfeer (Cunningham 2001, p. 134)?

Volgens de filosoof Jürgen Habermas van de Frankfurter Schule is een democratie gebaat bij het bestaan van een publieke sfeer waarin een democratisch debat gevoerd wordt waaraan iedere burger vrij kan deelnemen (Habermas, 1962). Extra voorwaarden bij het communiceren via het internet is dat mensen verbonden moeten zijn en dat ze weten om te gaan met de gehanteerde techniek.

De filosoof Douglas Kellner, eveneens van de Frankfurter Schule, zegt over internet als publieke sfeer: Computer Technologies [should] be used to serve the interests of the people and not corporate elites […] to articulate their own experiences and interests, and to promote democratic debate and diversity, allowing a full range of voices and ideas to become part of the cyberdemocracy of the future (Kellner, 2000, pp. 259-288). Kellner ziet het internet dus niet als een democratische publieke sfeer maar eerder als een product van het kapitalisme, dat geld verdient met individuele communicatie en dat helemaal geen publieke sfeer wil creëren.

De oorzaak van revoluties ligt volgens communicatiewetenschapper Christian Fuchs dan ook eerder aan de uitwassen van het neoliberalisme en niet aan het veelvuldig gebruik van internet en sociale media (Fuchs 2012, pp. 389-390). Wanneer meer democratie ontstaat door het creëren van een publieke sfeer is er sprake van de revolutiethese. .

Revolutiethese

Bij de komst van het internet is er de discussie of het internet nu wel of niet van substantiële invloed is op de democratie, meer in het bijzonder op het beter en meer meedoen van grotere groepen van de bevolking bij politieke besluitvormingsprocessen. Zoals we voorheen zagen organiseert en mobiliseert het internet burgers (Norris,  2001, p. 218; D`Alessio, 1997) en kunnen (politieke) campagnes beter georganiseerd worden (Marcinkowski & Metag, 2013, p. 28) waardoor mensen meer met elkaar in debat treden en de publieke sfeer vergroot wordt.

De gedachtegang achter een grotere betrokkenheid van meer burgers was hierbij dat het dankzij het internet goedkoper en gemakkelijker zou worden je mening naar voren te brengen en gehoord te worden. De afhankelijkheid van de media als poortwachters van het uiten van meningen zou kleiner want kleine politieke spelers kunnen zich via het internet buiten de traditionele media om tot hun achterban richten (Gibson & Ward 1998; Voerman 2000, p. 208) waardoor er meer sociaal kapitaal gemobiliseerd wordt.

Daarnaast kunnen de traditionele media de politiek actieve burgers beter vinden via het internet (Gibson & McAllister, 2006) waardoor ze ook hun achterban beter weten te mobiliseren. Dit is de strekking van de zogenaamde Revolutiethese (Margolis & Resnick 2000; Meik 2014). Volgens deze these wordt het publieke debat door het internet gestimuleerd en dat kan leiden tot meer democratisering (Benkler, 2006). Het internet geeft het individu of de kleine groep meer macht ten koste van het hiërarchische centrum door een onbegrensd sneeuwbaleffect.

Normaliseringsthese

Tegenover de revolutiethese staat de normaliseringsthese (Margolis & Resnick, 2000). De politicologen Michael Margolis en David Resnick pleiten voor ‘cyberrealisme’ en erkenning van de beperkingen van het internet als grote ‘bevrijder’. Internet geeft juist meer invloed aan de machtigen, ten koste van de zwakkeren. Volgens de normaliseringsthese verandert het internet de normale politieke verhoudingen en politieke betrokkenheid dan ook niet.

Met betrekking tot bijvoorbeeld verkiezingscampagnes zou het volgens deze these zo zijn dat grotere budgetten ook een betere toegang tot de publieke sfeer zouden geven, zodat aan het oorspronkelijke krachtsverschil niet wezenlijk iets verandert. Dit betekent dat de democratie volgens de normaliseringsthese niet aan kwaliteit zou winnen.

Nadelen van het internet op de politieke participatie

Een belangrijk nadeel van het internet en sociale media is dat je niet weet of de verspreide informatie echt waar is en tijdens de Euromaidan zorgden propaganda en valse informatie dan ook soms voor verwarring (Onuch 2015b, p. 179-181).

Een ander nadeel is dat sociale media tot een fragmentering van de publieke sfeer kan leiden, doordat mensen met dezelfde overtuigingen elkaar opzoeken en andere meningen buitensluiten (homophily).

Een laatste negatief punt is dat de overheid het internet ook kan gaan controleren en afsluiten, in beide bovengenoemde gevallen heeft de overheid echter de betekenis van het internet onderschat.

Conclusie

We zien bij de Euromaidanrevolutie dat sociale media sociaal kapitaal misschien wel helpen te activeren maar uiteindelijk doet Facebook mensen niet demonstreren (Onuch, 2015b, p. 172), de oorzaken van de revolutie lagen in de slechte economische situatie en de politiek. Facebook veroorzaakt geen revoluties, het organiseer een revolutie hooguit makkelijker.

Bij de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie zien we dat technologie burgers meer macht geeft en dat dit ten koste gaat van de autoritaire leiding van Oekraïne. Het internet geeft conform de revolutiethese kleine groepen burgers de mogelijkheid om op een snelle en goedkope manier de achterban en de bevolking te mobiliseren. Dat creëert een ruimere publieke sfeer waardoor een groter deel van de bevolking in opstand kon komen.

In beide revoluties onderschatte de overheid de betekenis van het internet. Al met al kan worden geconcludeerd dat de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie  aantonen dat het internet wel degelijk de democratie positief kan beïnvloeden zoals de revolutiethese stelt. Maar, en hier komt de normaliseringsthese weer om de hoek kijken, of dit ook werkelijk gebeurt hangt er van af of mensen zich ook laten mobiliseren om bijvoorbeeld te gaan demonstreren. Dat laatste was zoals we gezien hebben bij de Oranjerevolutie en de Euromaidanrevolutie ongetwijfeld het geval, zodat deze beide ervaringen duiden op een bevestiging van de revolutiethese van het internet.

Geraadpleegde literatuur

Atton C. (2002), Alternative Media. London, SAGE.

Bailey O.G., Cammaerts B. & Carpentier N. (2008). Understanding Alternative Media. Buckingham, Open University Press.

Bakker, T. P. & de Vreese, C. H. (2011). Good news for young people, Internet use, and political participation. Communication Research, Vol.38, pp. 451–470.

Banakh, M.(2014). Die Orange Revolution 2004 und der Euromaidan 2013/2014, Gemeinsamkeiten und Unterschiede. Bonn, Bundeszentrale für politische Bildung, 27.2.2014.

Barabási, A.-L. (2003). Linked: How Everything is Connected to Everything Else And what it Means. New York, Plume.

Bartkowski, M. (2014). Die Maidan-Revolution in der Ukraine – Gewaltloser Widerstand in gewaltgeladener Situation. Boon, Bundeszentrale für politische Bildung, 27.3.2014.

Baumgartner, J. C. & Morris, J. S. (2009). MyFaceTube politics: Social networking web sites and political engagement of young adults. Social Science Computer Review, Vol.28, pp. 24–44.

BBC-News (2013). How Ukrainian protestors are using Twitter and Facebook, 4 december 2013.

Benkler, Y. (2006). The wealth of networks: How social production transforms markets and freedom. New Haven, CT, Yale University Press.

Bennett, W. L. (2012). The personalization of politics: Political identity, social media and changing patterns of participation. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, Vol.644, pp. 20–39.

Castells, M. (1996). The information age: The rise of the network society, Vol.1, Malden MA, Blackwell.

Chadwick, A. (2006). Internet Politics: States, Citizens, and New Communication Technologies. Oxford, Oxford University Press.

D`Alessio, D. (1997). Use of the World Wide Web in the 1996 US elections, Electoral Studies, Vol.16, pp. 489-500.

Dittler, U. & Hoyer, M. (Red.). Social network – Die Revolution der Kommunikation. München, Kopaed.

Ellison, N., Gray, R., Lampe, C., & Fiore, A. (2014). Social capital and resource requests on Facebook. New Media and Society Vol.16(7), pp. 1104–1121.

Faris, D.  (2010). Revolutions Without Revolutionaries? Social Media Networks and Regime Response, in: Egypt. Ph.D. Dissertation, University of Pennsylvania.

Fuchs, C. (2012). Social media, riots, and revolutions, Capital & Class, Vol.36, pp. 383-391.

Gamson W., Fireman B. & Rytina S. (1982). Encounters with Unjust Authority. Homewood IL, Dorsey Press.

Gibson, R.K. & Ward, S.J. (1998). U.K. political parties and the internet. “Politics as usual” in the new media? Press/Politics, Vol.3(3), pp. 14-38.

Gibson, R. K. & McAllister, I. (2011). Do online election campaigns win votes? The 2007 Australian “Youtube” election. Political Communication, Vol.28(2), pp. 227-244.

Goldfarb, A. (2006). State Dependence at Internet Portals, Journal of Economics & Management Strategy, Wiley Blackwell, Vol.15(2), pp. 317-352, 06.

Goldstein; J. (2007). The Role of Digital Networked Technologies in the Ukrainian Orange Revolution, Harvard, Berkman Center Research Publication, Vol.14.

Granovetter, M. (1973). The strength of weak ties, Am J Sociol, Vol.78, pp. 1360-1380.

Habermas, J. (1962). Strukturwandel der Öffentlichkeit. Frankfurt, Suhrkamp.

Hague, B. & Loader, B. (Red.) (1999). Digital democracy: discourse and decision making in the information age. London, Routledge.

Jenkins, H. (2006). Convergence culture: Where old and new media collide. New York, University Press.

Junge Welt (2014). Agenten im Fronteinsatz – Berlin, Washington und Warschau haben auf dem Maidan ihre Leute – Junge Welt, 31.1.2014, p. 3.

Katz, E. & Lazarsfeld, P.F. (1955). Personal Influence: the Part Played by People in the Flow of Mass Communications. Piscataway, Transaction Publishers, pp. 309ff.

Kellner, D. (2000). Habermas, The Public Sphere, and Democracy: A Critical Intervention, Perspectives on Habermas, Open Court, pp. 259-288.

Kotsyuba, O. (2013). Ukraine’s Battle for Europe, in: The New York Times, 29 november 2013.

Leadbeater, C. (2008). We-think. London, Profile Books.

Leshchenko, S. (2014). The Media’s Role, in: Journal of Democracy. 25, Vol.9, Juli 2014, pp. 52–57.

Leung, D.. & Lee, F. (2014). Cultivating an active online counterpublic: Examining usage and political impact of Internet alternative media, The International Journal of Press/Politics, Vol.19(3), pp. 340–359.

Lilleker, D. en Jackson, N. (2010). Towards a More Participatory Style of Election Campaigning: The Impact of Web 2.0 on the UK 2010 General Election, Policy & Internet, Vol.2(3), pp. 69-98.

Loader, B. & Mercea, D. (2011). Networking democracy? Information, Communication & Society, Vol.14(6), pp. 757–769.

Lohmann, S. (1994). The Dynamics of Informational Cascades: The Monday Demonstrations in Leipzig, East Germany, 1989–1991, World Politics, Vol.47(1): pp. 42–101.

Mackinnon R. (2008).  Flatter world and thicker walls? Blogs, censorship and civic discourse in China. Public Choice 134, pp. 31–46.

Marcinkowski, F. & Metag, J. (2013). Lassen sich mit dem Internet Wählerstimmen gewinnen? Befunde zu drei deutschen Wahlen, Publizistik Vol.58, pp. 23-44.

Margolis, M. & Resnick, D. (2000). Politics as Usual? The Cyberspace Revolution, London, SAGE.

Meik, F. (2014). Warum die neuen Medien unsere Demokratie bedrohen. Die digitale Disruption und ihre Folgen, in: Dittler, U. & Hoyer, M. (Red.), Social network – Die Revolution der Kommunikation. München, Kopaed.

Norris, P. (2001). Digital Divide? Civic Engagement, Information Poverty and the Internet Worldwide. Cambridge, Cambridge.

Onuch, O.(2015a). Maidans Past and Present: Comparing the Orange Revolution and the Euromaidan, in: Marples, D. & Mills, F. (Red.): Ukraine’s Euromaidan: Analyses of a Civil Revolution. Stuttgart, Ibidem-Verlag, ISBN 978-3-8382-0740-7, pp. 27–56.

Onuch, O. (2015b). Facebook Helped Me Do It: Understanding the EuroMaidan Protester ‘Tool-Kit’, Studies in Ethnicity and Nationalism, Vol.15(1).

Open Society Foundation. Uprising in Ukraine: How It All Began, 4 april 2014.

Palczewski, C. (2001). Cyber-movements: New social movements, and counterpublics, in: Asen, R. & Brouwer, D.C. (Red.), Counterpublics and the state, pp. 161–186. Albany, NY, State University of New York Press.

Perrit, H. (1998). The Internet as a threat to sovereignty? Thoughts on the Internet’s role in the national and global governance. Indiana Journal of Global Legal Studies 5. 2., pp. 423-442.

Popple K. (1995). Analysing Community Work. Buckingham, Open University Press.

Putnam, R. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York, Simon & Schuster.

Radsch, C.C. (2016). Cyberactivism and citizen journalism in Egypt, Digital Dissidence and Political Change. Washington, Palgrave.

Schuller, K. (2014). Ukraine, Chronik einer Revolution. Warschau, Tapeta.

Steinert-Threlkeld, Z.C., Mocanu, D., Vespignani, A. & Fowler, J. (2015). Online social networks and offline protest, EPJ Data Science, Vol.4(19).

Stiegler, B. (2008). Acting out. Stanford, CA, University Press.

Voerman, G. (2000). Elektronisch folderen: de digitale campagne, in: Brants, K. & Praag, P. van (Red.) (2000), Tussen beeld en inhoud. Politiek en media in de verkiezingen van 1998. Amsterdam, Het Spinhuis, pp. 193-213.

Warner, M. (2002). Publics and counterpublics. Cambridge MA, MIT Press

Wilson, A. (2005). Ukraine’s Orange Revolution, New Haven en London, Yale University Press.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s