Het digitale proletariaat, Hans Schnitzler, boekbespreking

digitale-proletariaatHoe komt het dat miljoenen mensen hun hele leven tot in detail op internet zetten? Die prangende vraag hield de Nederlandse filosoof Hans Schnitzler bezig toen hij het boek “Het digitale proletariaat” schreef. De moderne mens laat zich volgens Schnitzler door  internetkapitalisten instrumentaliseren en wordt door zijn totale overgave aan het internet tot een proletariër. Hij staat zijn persoonlijke data (al dan niet vrijwillig) af en is zich meestal niet bewust van de gevolgen. Zijn leefwereld wordt volledig gedigitaliseerd via allerlei technische snufjes en door het op de persoon toegespitst zoeken op het internet worden zijn wensen en verwachtingen gehomogeniseerd met als gevolg dat hij steeds meer om zichzelf gaat draaien, Schnitzler gebruikt de metafoor “internet als echoput”. Daardoor maakt het internet zijn wereld eerder kleiner dan groter, wat afwijkt hoort hij niet meer. Dit schept een illusie van controle want zijn hele leven ligt immers op straat. Het is voor instanties daardoor gemakkelijk om hem individueel aan te spreken op afwijkend gedrag of bij een nalatende gezondheid bijvoorbeeld. Zijn gedrag wordt namelijk als een persoonlijk falen gezien en niet langer als onderdeel van een maatschappelijk probleem. De moderne internetmens stelt zich daarmee bloot aan manipulatie van technologisch machtige bedrijven als Google en Facebook en raakt zijn zelfbeschikking kwijt. Schnitzler schetst een ontwikkeling van de industrialisering van het lichaam naar de industrialisering van de geest via het internet. Dit leidt tot een op data en algoritmen gebaseerde wereldorde waar een kleine elite van hoogbegaafde programmeurs en superondernemers de dienst uitmaken. Zij reduceren de mens louter tot een verkoopbare informatiedrager en niet als een product van zijn of haar sociaaleconomische omgeving. Zijn identiteit wordt verhandeld als koopwaar en dat leidt automatisch tot dehumanisering vanwege een intimiteitsoverschot. In het postprivacy-tijdperk wordt een teveel aan intimiteiten gedumpt en daarmee waardeloos. Schnitzler vergelijkt de nieuw ontstane wereldorde met een digitale libertarische heilsstaat vergelijkbaar als in The brave new world van Huxley. Huxley beschrijft een samenleving waarin mensen hun gevangenschap onder een alziend oog zelf als een soort bevrijding ervaren. Schnitzler gebruikt verder het voorbeeld van het panopticum van Jeremy Bentham waarin een gevangene altijd en overal bespied wordt, het staat hier symbool voor het digitale panopticum dat in het teken van connectiviteit staat. De rol van observant en geobserveerde is uitwisselbaar want iedereen kan door iedereen bekeken worden. Communicatie is de voorwaarde voor het in stand houden van de orde in deze aandachtseconomie. De destructie van de aandacht bedreigt volgens Schnitzler de gemeenschapszin en de sociale cohesie. Zijn oplossing is een opstand van de geest. De mens moet weer de regie over zijn data en zijn leven gaan voeren en zich niet langer als digitaal proletariaat door het nieuwe internetkapitalisme laten manipuleren.

Commentaar: Schnitzler staat terecht uiterst kritisch tegenover de nieuwe machtige internettechnologieën zoals Facebook en vraagt daarom de aandacht voor een reëel probleem van een dreigende digitale onderklasse die door een te veel aan transparantie van de intieme levenssfeer – banalisering van het intieme noemt Schnitzler dat – vervreemdt van zijn eigen menselijke waardigheid. Wat hij daaraan zo gevaarlijk vindt is dat mensen niet eens worden gedwongen te behoren tot een digitale onderklasse, ze kiezen er zelf voor om zoals Schnitzler het uitdrukt “de strijd om de geest te verliezen” zoals ook gebeurt in Brave New World van Aldous Huxley uit 1932. De eigentijdse proletariërs omhelzen hun eigen lijfeigenschap van de techniek. In een werkelijk efficiënte technostaat, aldus Schnitzler, ervaren de slaven van de techniek, de digitale proletariërs, hun ondergeschiktheid aan de techniek als een bevrijding. Schnitzler gebruikt ook de metafoor dat mensen zich laten reduceren tot batterijen voor de machine.”Het digitale proletariaat is” zoals Ad Verbrugge schrijft op de cover van het boek, “een verontrustend boek over het lot van de mens in een wereld waarin digitale techniek en het net diens bestaan fundamenteel veranderen. De mogelijke schaduwzijden weet Schnitzler op een onderlegde, intelligente, meeslepende en eloquente manier te verwoorden”. Het is een prestatie van formaat dat Schnitzler het aandurft te waarschuwen, niet dat er techniek is maar hoe de techniek is. Hij moet het opnemen tegen schrijvers die de technische zegeningen van onze tijd onophoudelijk loven en ook tegen allen die zich kritiekloos overleveren aan Facebook en andere internettechnologieën. Schnitzler is naar eigen zeggen niet tegen de techniek zoals de Luddieten, textielarbeiders die destijds weefgetouwen vernielden om hun protest tegen de technische vervreemding kracht bij te zetten. De waarde van Schnitzlers boek is dat hij het aan de kaak durft te stellen dat er in het internettijdperk een nieuw soort proletariërs ontstaat, mensen die zich zelf lijfeigenen maken van de techniek. Het gevaar is groot: de digitale proletariër is een mens van wie het hele bewustzijn – zijn aandacht, emoties en vriendschappen, zijn ideeën en fantasieën – tot koopwaar is gereduceerd. Ik bewonder dus de anamnese, de digitale ziektegeschiedenis van de eigentijdse proletariër. Die is per saldo geloofwaardig al bestaat het betoog van Schnitzler uit veel tautologieën gestapeld op de trefzekere metafoor van de digitale proletariër. De digitale revolutie brengt inderdaad een eigentijds proletariaat voort waarbij fabrieksarbeiders zijn vervangen door informatieverwerkers, grootindustriëlen door grootdatabezitters, machines door megaservers. De industrialisering van de arbeid heeft plaatsgemaakt voor de industrialisering van de geest, lichamelijke uitputting door geestelijke uitputting, en milieuvervuiling wordt verdrongen door mentale vervuiling. Is de anamnese aldus enigszins filosofisch maar geloofwaardig, zijn therapie is dat niet. Aan het eind van het boek heeft Schnitzler mij wel overtuigd van het gevaar van de heerlijke nieuwe wereld van het digitaal proletarisme. De vervreemding en de eenzaamheid van een wereld waarin persoonlijke contacten zijn vervangen door Facebook is evident. Ik zie wel dat er zwakke plekken zijn in zijn anamnese. Schnitzler verklaart dat niet alleen grote internetbedrijven maar ook de staat eraan meehelpt dat er een digitaal proletariaat ontstaat maar geeft daar geen nadere uitleg bij. Ook gaat hij niet in op de psychosociale oorzaken van internet proletarisch gedrag en dat is juist nodig voor het bewust worden van de internetexhibitionist. Mensen worden gedwongen zich aan te passen aan zeer dwingende technische formats die Schnitzler verder niet uitlegt in zijn boek.

Het verklaren van de oorzaken is van belang voor het vermijden van internet proletarisme, wat veel effectiever lijkt dan het vinden van de weg terug die door Schnitzler niet expliciet beschreven wordt.Het boek van Schnitzler houdt echter in feite op bij de anamnese, bij de beschrijving van het gevaar, juist dan wanneer het echt interessant wordt, wanneer de vraag naar therapie en preventie van digitaal proletarisme opdoemen en de vraag zich opdringt wat dan wel de manier is waarop digitaal proletarisme bestreden kan worden of beter nog: voorkomen. Schnitzler haast zich te zeggen dat hij niet tegen de digitale technologieën is –  hij is met andere woorden naar eigen zeggen geen neo-Luddiet – en dat het er niet om te doen is dat de techniek is maar hoe de techniek is. Aan het eind van zijn boek waar ik de therapie en de preventie van digitaal proletarisme had verwacht komt Schnitzler vast te zitten in zijn eigen metafoor van het het digitale proletariaat. In het oude proletariaat van Marx is er geen sprake van dat mensen zelf ervoor kiezen van zichzelf te vervreemden door de techniek en uitgebuit te worden, dat wordt hen immers aangedaan door de kapitalisten die steeds meer rijkdom willen accumuleren. Schnitzler betoogt dat het moderne proletarisme een zelfgekozen proletarisme is naar analogie van Brave New World van Aldous Huxley. In de metafoor van digitaal proletariaat zou de oplossing voor het door Schnitzler geschetste probleem naar analogie van Das Kapital, een vermaatschappelijking van de eigendom van de techniek zijn. Zo wordt de mens weer de baas over het techniekmonster. Dat gaat echter niet op in de internetwereld waar ieder zijn eigen medium, de pc en de smartphone, heeft en technologieën zoals Wikipedia en Facebook gemeenschappelijk bezit zijn of althans lijken, maar zo helder is het betoog van Schnitzler op dit cruciale punt niet. Zijn de digitale technologieën van iedereen of juist niet? Schnitzler had om oplossingen voor het door hem geschetste probleem aan te dragen, moeten kiezen tussen zijn metafoor van digitaal proletariaat enerzijds en het beeld van de vrijwillige slavernij à la Huxley anderzijds. Dat doet hij niet waardoor hij in zijn boek niet toekomt aan de belangrijkste vraag die de lezer zich stelt: als het digitale proletarisme een gevaarlijk spook is wat doen we er dan aan om het te verjagen?

Op dat punt in het betoog aangeland wordt Schnitzler daarom wel erg vaag en holt naar het voortijdig einde: hij heeft het over de technische lijfeigenen die zich langzaam beginnen te roeren en individueel in verzet komen tegen digitaal proletarisme. Dat kan het begin zijn van collectief verzet daartegen maar overtuigend is dit op twee gedachten hinken niet. Op dit punt had Schnitzler beter aan moeten sluiten bij het historisch materialisme van Karl Marx. Marx zou hebben gezegd dat de technologische onderbouw van de mens leidt tot de daaraan onderworpen geestelijke bovenbouw van gedachten en geestelijk lijfeigenschap. De oplossing volgens Marx was collectivisering en staatseigendom van de technologie. Zo kon volgens hem de technologie de mens dienen in plaats van andersom. Tot een dergelijke heldere therapie op preventie van mentale vervreemding geraakt Schnitzler niet. Hij wil onterecht niet erkennen dat elke vorm van overtrokken kapitalisme zoals de digitale revolutie noodzakelijk zijn eigen proletariaat schept. Tenzij er, in de zin van Max Weber en Habermas, een dienende overheid aanwezig is die regels opstelt tegen uitwassen en aanmoedigt dat consumenten gezamenlijk tegenmacht scheppen tegen de digitale kapitalisten. Schnitzler had duidelijker moeten zijn door te zeggen dat de hedendaagse mens geestelijk opgeslokt is door het spook van het kapitalisme en dat hij zich daarvan los moet maken door gemeenschappelijk optreden.

Schnitzler onderkent wel dat het digitale proletariaat zelf macht bezit wanneer het gezamenlijk opstaat tegen de internetkapitalisten en daarmee tegen de vervreemding in het eigen zijn. Mijn devies is duidelijk en Karl Marx wist het al in “Das Kapital”: Proletariërs aller landen, verenigt u!

Bentham, Jeremy (1995), The Panopticon Writings Ed. Miran Bozovic, London, Verso, p. 29-95.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s